Het eerste ei (Of: hoe het ei zich losmaakte van de kippen en de hanen)

jackkid1Jarenlang heb ik gedacht dat ik het “eerste ei” was. Mijn eerste herinneringen, decennia verdrongen, waren van een stiefvader die mij sloeg. Een man met grote handen; handen met witte vlekken, veroorzaakt door de vorst, in 1944, in Rusland, aan het front. “Die Räder müssen rollen für den Sieg!” riep hij als hij dronken was. Het trieste verhaal van een man die niet, zoals zijn broers, op tijd naar Amerika was geëmigreerd, maar zich in de oorlog had aangesloten bij de SS.
Mijn moeder maakte mij al vroeg deelgenoot van haar grote geheim: een scheepskist op zolder. In de kist bevonden zich haar verpleegstersuniformen, haar schriftelijke NTI-cursus Engels, en een sigarenkistje met foto’s. Een foto van haar en een man voor paleis Soestdijk. Een foto van haar en dezelfde man voor een villa in Huis ter Heide. “Dat is Huib, je echte vader,” zei ze.
Mijn moeder en ik kwamen vaak naar de zolder, om de foto’s te bekijken en omdat mijn moeder daar haar tranen kon laten gaan.
Op één van die dagen vertelde ze mij dat ze in de oorlog ondergedoken was geweest op verschillende boerderijen. Een boerenzoon, Geert Boon, bezwangerde haar. Er werd een tweeling geboren, twee meisjes, die slechts drie dagen in leven bleven. Ik was dus niet haar eerstgeborene. Ik had twee dode zusjes.

Huib, mijn biologische vader, was in 1948 vanuit Indië naar Nederland gekomen om zijn artsenbul te halen. Zeer tegen de zin van zijn vader en zijn drie broers, die allen hoge officieren waren in het KNIL. In het academisch ziekenhuis leerde hij mijn moeder kennen; zij werkte daar als leerling-verpleegster. Mijn moeder werd zwanger van mij, maar van een huwelijk kon geen sprake zijn omdat mijn moeder een meisje van eenvoudige joodse komaf was. De familie van mijn vader kocht haar af met een bedrag van 4000 gulden.

“Geef jij de jongen aan?” vroeg mijn moeder aan Huib. Ze lag nog in het kraambed en Huib had haar juist de envelop met inhoud en het oordeel van de familie gegeven.
“Natuurlijk,” zei Huib.
Dat gebeurde echter niet. Niet alleen was ik een bastaard, ik was ook een bastaard die officieel niet bestond.

Mijn moeder kreeg kennis aan een kroegbaas die in scheiding lag. De vierduizend gulden werden gebruikt om in Canada een nieuw leven op te bouwen. De SS-frontsoldaat en het joodse onderduikstertje – het was een rampzalige combinatie. Ik was drie weken oud, vertelde mijn moeder mij later bij de scheepskist op zolder, toen mijn stiefvader mij voor het eerst sloeg “omdat een kind van drie weken toch oud en wijs genoeg moet zijn om te begrijpen dat een man met een horecabedrijf ’s ochtends moet kunnen slapen”.

Door een toeval, toen mijn moeder met mij in Holland was, kwam ik in contact met de familie van mijn biologische vader. “Je mag hem zo hebben,” zei mijn moeder tegen een schoonzuster van Huib. Na overleg besloot men dat ik voorlopig in Nederland zou blijven.

Mijn Indische familie hield wel van mij, maar zij moesten hun eigen kinderen in alles laten merken dat die op de eerste plaats kwamen. Dat ik niet gelijk was aan hun eigen kinderen. Dat ik een tijdelijke gast was. Men deed zijn uiterste best om mij niet voor te trekken. Dus werd ik achter getrokken.
Mijn biologische vader was inmiddels getrouwd en had wettige kinderen. Wanneer hij en zijn gezin op bezoek kwamen bij de familie waar ik op dat moment verbleef, moest ik schielijk verkassen, want zijn vrouw en kinderen mochten mij niet zien. Weer een andere school, weer nieuwe vriendjes. Op het laatst investeerde ik niet meer emotioneel in mensen, want ik moest toch weer afscheid van ze nemen.

Toen ik zes jaar was kreeg mijn moeder nog een kind. Ik had een halfbroertje. Mijn stiefvader was dol op zijn echte zoon, en het verschil dat hij maakte tussen dat kind en mij was pijnlijk. Pijnlijker dan de klappen, want ik zag nu voor het eerst hoe hij ook kon zijn.

Heen en weer gesleept tussen Canada en Holland, werd ik als twaalfjarige ondergebracht bij mijn oudtante Toetie, de zuster van mijn Javaanse grootmoeder. Tante Toetie was in 1963 in Nederland gearriveerd, nadat zij uit Nieuw Guinea, het laatste Nederlandse bolwerk in haar geliefde Gordel van Smaragd, was gerepatrieerd. Tante Toetie had kanker en moest worden verzorgd. De familie vond mij de ideale kandidaat voor die functie.

Ik ging naar de middelbare school, ik had twee krantenwijken, en ik verzorgde mijn oudtante. Tot mijn veertiende, want toen ging tante Toetie dood. Vóór haar overlijden had ze mij een envelop met 8000 gulden gegeven. Ik mocht er niets over zeggen tegen de familie. Twee jaar lang was dit mijn huis geweest, maar terwijl de kist nog in de voorkamer stond opgebaard, kwam de familie alles van waarde ophalen. Ik bleef alleen achter in een leeg huis met mijn dode tante in de voorkamer.

Tijdens de crematieplechtigheid mocht ik vooraan staan in de rij van mensen die gecondoleerd moesten worden. Een man in een visgraatjas condoleerde mij en sloeg zijn armen om mij heen. “Dat was je vader,” zei een van mijn tantes.
Een dag later vertrok ik uit Nederland en begon ik aan een lange, lange reis, waar nog steeds geen einde aan is gekomen.

(Ik ben nog een paar keer teruggeweest om het te proberen. “Hij is veranderd,” zei mijn moeder. Maar dat bleek nergens uit.)

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Over de Rooie — Nawoord

Gerrit (Ger) Klein (Den Helder, 4 september 1925 – Rotterdam, 9 december 1998), was een Nederlands politicus en natuurkundige. Namens de Partij van de Arbeid was hij staatssecretaris in het kabinet-Den Uyl en lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het bleek het begin te zijn van manische depressiviteit, dat de rest van zijn leven zou beheersen. “Op een gegeven moment zie je jezelf in je nakie door de vrieskou rondjes om het huis rennen. Daar ging de man die een getalenteerd fysicus en staatssecretaris van onderwijs was: geschift.” De ziekte zou zijn voortgekomen uit frustraties over de gang van zaken rond het debat over Aantjes, waarin Klein niet het woord mocht voeren, en een moeizame relatie met zijn partij.

Op 5 februari 1980 verliet Klein de politiek om toe te treden tot de Raad van Bestuur van TNO, waar hij directeur sociale zaken werd. Dit zou hij tot 1985 blijven doen. Vanaf het eind van de jaren zeventig leed Klein aan manische depressiviteit. Hierover publiceerde hij het boek Over de rooie. Het verhaal van een manisch-depressieve sociaal-democraat. Klein overleed in 1998. Het was mij een eer om met Ger Klein te werken, als zijn redacteur, en aan mij de eer om van de reusachtige stapel manuscripten, in dagelijks overleg met Ger, een samenhangend boek te maken. 

Drie manuscripten kreeg ik op mijn bureau, op het eerste gezicht onsamenhangend materiaal, elkaar overlappend, en niet chronologisch.
“Maak er maar een mooi boek van,” zei de uitgever tegen mij.
En zo kreeg ik contact met Ger Klein, want we moesten veel met elkaar gaan overleggen. De chronologie moest worden bepaald, onduidelijkheden moesten worden opgelost, en er moesten vooral veel darlings worden gekild.

Er was een reden om mij met de redactie van het boek te belasten. De ziekte manisch-depressiviteit is mij niet vreemd. In 1973 en in 1976 ben ik een jaar lang zeer depressief geweest en in die periode werd de ziekte manisch-depressiviteit bij mij gediagnosticeerd. Om duidelijk te zijn: er zijn twee vormen van deze stemmingsstoornis. De patiënt die bipolair I is kent naast de depressieve fase en de hypomane fase ook de manische fase, en bij de patiënt die bipolair II is komt de manische fase niet voor.
Ger was bipolair I, ik ben bipolair II. Van 1973 tot 1985 en van 2004 tot oktober 2005 heb ik lithium gebruikt, een medicijn dat de stemmingswisselingen onder controle moet houden.(Sindsdien gebruik ik geen enkele medicatie meer.) Ik ken de langdurige, diepe depressies en ik ken ook de hypomane episoden, waarin je gigantisch veel kunt produceren en je energie tomeloos lijkt te zijn. “Dan ga je als een straaljager,” placht Ger te zeggen.
Alleen de “gekke” (manische) episode ken ik niet uit eigen ervaring, maar ik kan mij er wel het een en ander bij voorstellen. Daarnaast ben ik jaren actief geweest in de politiek, dus ook in dat opzicht waren er veel raakvlakken.

Ger’s manuscripten maakten veel bij mij los. Wat hij schreef was heel herkenbaar. We hebben vele uren telefonisch contact met elkaar gehad, en in die gesprekken ging het niet alleen over het boek.
Helaas is het boek niet herdrukt en is er slechts af en toe een tweedehands exemplaar bij De Slegte verkrijgbaar. Daarom heb ik besloten om in gedeelten een kleine bloemlezing uit Over de rooie te publiceren op mijn blog en die zonodig te voorzien van kanttekeningen.

Men vraagt mij nogal eens in hoeverre de ziekte permanente verandering in mijn `persoonlijkheid’ en gedrag heeft veroorzaakt. Men denkt dan meestal aan negatieve facetten. De vraag is gemakkelijker gesteld dan beantwoord. Ik ben inmiddels ook zo’n veertien jaar ouder, en dit in een leeftijdsfase waarin het aantal, statistisch gezien nog beschikbare jaren verrassend snel afneemt: op vijfenzestigjarige leeftijd mag een man nog op vijftien jaar rekenen. De veertien jaar vormen in verhouding hiermee een groot stuk. Ik meen dan ook dat een aantal veranderingen in mijn gedrag tussen het begin van mijn ziekte en nu meer door het ouder worden, dan door de ziekte is veroorzaakt. Tot deze categorie behoren niet alleen de rust en inkeer van de ouderdom, maar ook het `ik moet opschieten, ik heb geen tijd meer voor flauwekul’. Beide facetten, die slechts door verhoging van de efficiëntie van het denken en handelen zijn te verenigen, hebben weinig met mijn ziekte uit te staan, of het moest zijn dat dit laatste facet versterkt is door het gevoel dat de ziektejaren deels verloren jaren zijn geweest.
Toch zijn er wel enkele veranderingen aan te wijzen die waarschijnlijk deels of geheel aan mijn ziekte kunnen worden toegeschreven. Wellicht het duidelijkst geldt dit voor het gevoel van de betrekkelijkheid der dingen. Uiteraard was dit voorheen ook wel aanwezig, maar dan toch in aanmerkelijk minder sterke mate. Wanneer men van zichzelf weet dat de afstand tussen normaal en abnormaal wel heel erg klein is, bij wijze van spreken bepaald wordt door minimale hoeveelheden medicijnen, gaat men al snel de betrekkelijkheid van al het gebeuren zien. Dit geldt voor de persoon in kwestie maar ook voor anderen: `IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdel,’ met als gevolg een allergie voor gewichtigdoenerij. Dit geeft dan weer aanleiding tot grote irritatie bij confrontatie hiermee. Zo is het sneren bij het bekijken van tv programma’s in de loop der jaren onevenredig sterk toegenomen. 

Een andere eigenschap, die naar mijn mening de laatste jaren veel sterker is geworden, is mijn inlevingsvermogen, empathie, het zich kunnen verplaatsen in de ander. Dit vermogen dient niet te worden verward met het opbrengen van begrip: ik kan mij uitstekend in sommige schurken verplaatsen, zonder begrip voor hen op te brengen. 

Verder meen ik dat ik gepolariseerder over mensen denk dan vroeger. Enerzijds zachter voor de afhankelijken, de rechtelozen, anderzijds veel harder voor de machthebbers, de vlerken. 

Dan is er ten slotte nog een flink aantal factoren, zoals de appreciatie van kunstuitingen, waarbij het waarschijnlijk is dat mijn ziekte ook enige invloed heeft gehad, zowel in positieve als in negatieve richting, maar bepaald niet doorslaggevend is geweest. 

Samenvattend: de specifieke invloed van de ziekte is, alles bij elkaar, moeilijk aan te geven, maar extrapolerend vanaf 1978 naar nu kan redelijkerwijs worden aangenomen dat enkele veranderingen in mijn gevoelsleven meer aan de ziekte dan aan het ouder worden zijn toe te schrijven. De plussen tegen de minnen wegstrepend meen ik dat de ziekte mij geen wezenlijk kwaad heeft gedaan, en ik er wel heel wat beter aan toe ben dan ik die novembernacht in 1978 op de Spijkenisserbrug voor mogelijk hield. Een wel heel wat gunstiger conclusie dan voor vele lichamelijke ziekten kan worden getrokken.

De opzet van het boek was in de eerste plaats een redelijk nauwkeurige beschrijving van het denkproces bij een geestelijk gestoorde te geven, en daarmee de lezer enig inzicht te verschaffen in het verloop van zo’n psychisch ziekteproces. Deze opzet, namelijk het primair rapporteren over het eigen denken, heeft tot gevolg dat het boek een sterk egocentrisch karakter heeft gekregen. Dit zou de indruk kunnen geven dat anderen geen of nauwelijks enig aandeel in dit alles hebben gehad. Uiteraard is dat niet het geval. 

Niet alleen in de depressieve fasen, maar ook in de gezonde tussenperiodes werd ik getroffen door gevoelens van verlatenheid, overbodigheid: `Je hoort er niet meer bij, je bent afgeschreven, we gaan niet meer met jou in zee want je weet het maar nooit.’ Vooral de houding van mijn partij, waarvoor ik mij toch zo’n veertig jaar intensief heb ingespannen, heeft mij werkelijk verdriet gedaan. De behandeling bij TNO was een schoolvoorbeeld van de gedachte dat je je met iemand die geestesziek is geweest en aan het opkrabbelen is alles kunt veroorloven. Alsof het om iets minderwaardigs, zonder gevoelsleven gaat. Als men zich dan realiseert dat ik, door verleden en carrière, nog een aanzienlijke bescherming heb genoten, kan men zich voorstellen hoe het de minder bevoorrechten in veel gevallen moet vergaan. Wanneer men zich in zo’n als vijandig aangevoelde wereld weet of waant, kan men zich slechts handhaven als men kan terugvallen op vertrouwde mensen. Dat heb ik, gelukkig, in sterke mate kunnen doen. Ik heb daarbij voor mijzelf het beeld gevormd van drie concentrische cirkels van vertrouwden rondom mij. In de buitenste cirkel bevinden zich mijn goede vrienden en de meeste familie. Zij sprongen zonodig bij, en zorgden er tevens voor dat ik in de zieke periodes mijn besef van de werkelijkheid nog enigszins behield. De middelste cirkel was professioneel: de psychiater en de huisartsen, die mij in al die jaren hebben bijgestaan. 

En dan de binnenste cirkel: mijn vrouw en kinderen. Vooral voor mijn vrouw is het voor een groot deel van de tijd een ware beproeving geweest, te meer omdat zij in deze periode fysiek zelf zo veel te verstouwen heeft gehad. Aan haar draag ik dit boek dan ook op. Ik dank allen die mij hebben bijgestaan, en spreek daarbij de hoop uit dat de zorg die ik in al die jaren heb gehad ook zal worden gegeven aan al die ongelukkigen die niet deeltijds, maar permanent geteisterd worden door vaak heel wat ernstiger vormen van geestesziekten. Want aan de behandeling van juist deze mensen zal de kwaliteit van onze samenleving worden afgemeten. 

(Dit is het laatste deel van de serie “The making of Over de rooie – relaas van een manisch-depressief politicus”.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Over de Rooie — Op Socialisten

Gerrit (Ger) Klein (Den Helder, 4 september 1925 – Rotterdam, 9 december 1998), was een Nederlands politicus en natuurkundige. Namens de Partij van de Arbeid was hij staatssecretaris in het kabinet-Den Uyl en lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het bleek het begin te zijn van manische depressiviteit, dat de rest van zijn leven zou beheersen. “Op een gegeven moment zie je jezelf in je nakie door de vrieskou rondjes om het huis rennen. Daar ging de man die een getalenteerd fysicus en staatssecretaris van onderwijs was: geschift.” De ziekte zou zijn voortgekomen uit frustraties over de gang van zaken rond het debat over Aantjes, waarin Klein niet het woord mocht voeren, en een moeizame relatie met zijn partij.

Op 5 februari 1980 verliet Klein de politiek om toe te treden tot de Raad van Bestuur van TNO, waar hij directeur sociale zaken werd. Dit zou hij tot 1985 blijven doen. Vanaf het eind van de jaren zeventig leed Klein aan manische depressiviteit. Hierover publiceerde hij het boek Over de rooie. Het verhaal van een manisch-depressieve sociaal-democraat. Klein overleed in 1998. Het was mij een eer om met Ger Klein te werken, als zijn redacteur, en aan mij de eer om van de reusachtige stapel manuscripten, in dagelijks overleg met Ger, een samenhangend boek te maken. 

Drie manuscripten kreeg ik op mijn bureau, op het eerste gezicht onsamenhangend materiaal, elkaar overlappend, en niet chronologisch.
“Maak er maar een mooi boek van,” zei de uitgever tegen mij.
En zo kreeg ik contact met Ger Klein, want we moesten veel met elkaar gaan overleggen. De chronologie moest worden bepaald, onduidelijkheden moesten worden opgelost, en er moesten vooral veel darlings worden gekild.

Er was een reden om mij met de redactie van het boek te belasten. De ziekte manisch-depressiviteit is mij niet vreemd. In 1973 en in 1976 ben ik een jaar lang zeer depressief geweest en in die periode werd de ziekte manisch-depressiviteit bij mij gediagnosticeerd. Om duidelijk te zijn: er zijn twee vormen van deze stemmingsstoornis. De patiënt die bipolair I is kent naast de depressieve fase en de hypomane fase ook de manische fase, en bij de patiënt die bipolair II is komt de manische fase niet voor.
Ger was bipolair I, ik ben bipolair II. Van 1973 tot 1985 en van 2004 tot oktober 2005 heb ik lithium gebruikt, een medicijn dat de stemmingswisselingen onder controle moet houden.(Sindsdien gebruik ik geen enkele medicatie meer.) Ik ken de langdurige, diepe depressies en ik ken ook de hypomane episoden, waarin je gigantisch veel kunt produceren en je energie tomeloos lijkt te zijn. “Dan ga je als een straaljager,” placht Ger te zeggen.
Alleen de “gekke” (manische) episode ken ik niet uit eigen ervaring, maar ik kan mij er wel het een en ander bij voorstellen. Daarnaast ben ik jaren actief geweest in de politiek, dus ook in dat opzicht waren er veel raakvlakken.

Ger’s manuscripten maakten veel bij mij los. Wat hij schreef was heel herkenbaar. We hebben vele uren telefonisch contact met elkaar gehad, en in die gesprekken ging het niet alleen over het boek.
Helaas is het boek niet herdrukt en is er slechts af en toe een tweedehands exemplaar bij De Slegte verkrijgbaar. Daarom heb ik besloten om in gedeelten een kleine bloemlezing uit Over de rooie te publiceren op mijn blog en die zonodig te voorzien van kanttekeningen.

De eerste jaren van mijn ziekte is er van enige belangstelling voor de nationale politiek vrijwel geen sprake. Ik heb wel wat anders aan mijn hoofd. Maar bij het tot stand komen van het kabinet-Van Agt/Den Uyl ben ik al weer voldoende bij de les om mij een oordeel aan te meten. Ik vind de meeste PvdA bewindslieden van goed tot heel goed bestuurlijk niveau. Alleen bij Den Uyl als minister van Sociale Zaken zet ik een groot vraagteken. In de eerste plaats is de combinatie Van Agt/Den Uyl nu niet bepaald waarop we zitten te wachten, maar bovendien hoeft een uitstekende minister president nog geen goede vakminister te zijn, en zeker niet de inventieve rekenaar die je voor Sociale Zaken nodig hebt. Dit blijkt niet zo’n vreemde inschatting te zijn; binnen een paar maanden weten Den Uyl en Dales samen meer dan honderdduizend boze vakbondsleden de straat op te krijgen, als protest tegen de ziektegeldplannen. 

Na zo’n acht maanden is het al weer afgelopen met het kabinet en verdwijnt de partij weer voor vele jaren in de oppositie. Die jaren probeert men de crisissfeer in de partij tegen te gaan door een veelheid van studies, door allerlei commissies over programmatische en organisatorische zaken. Wat daarbij opvalt is de oververtegenwoordiging van economen hierin. Kennelijk heeft ook in de partij de mening postgevat dat deze lieden de aangewezen figuren zijn om een integrale aanpak van de maatschappelijke problematiek te leveren. Was het maar waar: de meesten zijn eenvoudigen van geest, die binnen een versimpeld maatschappijmodel sommetjes oplossen en de resultaten hiervan tot wetmatigheden van de werkelijkheid verklaren. Dat het heel wat betere model met een onder en bovenbouw als uitgangspunt door hen wordt genegeerd, laat zich verklaren: het denken en werken in dit model, waarin de onderlinge terugkoppeling zo’n essentiële rol speelt, gaat hun denkvermogen te boven. Dat zij zich beperken tot de financieel economische onderbouw, en de bovenbouw gemakshalve als `volgend’ aannemen, maakt hun bijdrage tot een integrale maatschappijvisie wel heel gevaarlijk. Zij zullen het niet graag horen, maar in feite hebben we hier te maken met vulgair-marxisten. 

Het effect van al deze rapporten op de vermoeide, ja zelfs lamlendige sfeer in de partij, is nihil. Het beste wat men van deze situatie kan stellen is dat men er althans in een flink aantal afdelingen nog wat van probeert te maken.
De opstellers van de rapporten over de partijorganisatie menen de oplossing te hebben gevonden: terug naar een centralistische, autoritaire opzet. Het fraaie van deze oplossingen is gelegen in het feit dat de schuld van het onklaar raken wordt afgeschoven op de lagere echelons. Geen enkele poging wordt gedaan om de kwaliteit van de interne partijdemocratie, zoals die de laatste vijfentwintig jaar is bereikt, door bijstellingen te verbeteren. Nee, men zet alles overboord, en gaat in feite terug naar de jaren vijftig. 

In november 1989 mag de partij weer meeregeren. Ik schaam me intens voor de wijze waarop D66 pootje wordt gelicht. Zo doen fatsoenlijke mensen dat niet met elkaar. Het is de eerste keer dat ik mij afvraag of ik nog wel in deze club thuishoor. De PvdA-ploeg in het kabinet staat mij ook maar matig aan. Waar zijn de uitstekende bestuurders als Stemerdink en Van der Louw gebleven? Jammer dat Jos van Kemenade om gezondheidsredenen niet op Binnenlandse Zaken komt. Een wel heel sub-optimale ploeg. Het lijkt erop dat Kok geen al te krachtige figuren in zijn omgeving wenst. 

Wanneer socialisten in een minderheidspositie moeten meebesturen, is er maar één methode die dat besturen de moeite waard maakt: vanuit het eigen idealisme tot zodanige compromissen met de anderen komen, dat in ieder geval een verdere versterking van het vigerende, kapitalistische stelsel wordt voorkomen, althans tegengegaan. Door een inzet van maximale creativiteit en inventiviteit kan aldus ook vanuit een minderheidspositie worden bereikt dat er voor socialisten iets te regeren valt. 

Als men nog gelooft in de `spreiding van inkomen, kennis en macht’ mag men zich toch na een aantal jaren meeregeren afvragen wat een socialistische minister van Financiën eraan heeft gedaan om de machtsusurpatie van het bankwezen tegen te gaan. Zo hebben we anno 1992 een situatie waarbij een bedrijf als Philips zich van hoog tot laag kapot werkt om de moordende concurrentie van met name de Oostaziatische landen het hoofd te bieden, dat resulteert in een verlies van enkele honderden miljoenen over 1992, terwijl een ABN Amro met banale werkzaamheden een winst van 1,7 miljard binnenhaalt. Alle verhoudingen zijn zoek. 

Wat te denken van een minister van Cultuur, die kennelijk geen enkele creativiteit en inventiviteit aan den dag legt om de commerciële zenders en de daarbij behorende banaliteit en bagger tegen te gaan? Sterker, ik geloof dat zij zich niet eens realiseert dat dat van haar mag worden verwacht, als zij tenminste voor een socialiste wil doorgaan. En wat is haar specifieke socialistische inbreng ter bestrijding van de absurde sportverdwazing, die we nu al enkele decennia lang te zien krijgen? 

Bij een flink aantal van de huidige PvdA bewindslieden heeft men de indruk dat zij zich aan boord van het S.S. Free Enterprise  wanen, en menen hun werk goed te hebben gedaan als zij er voor zorgen dat het schip goed op koers blijft liggen en de passagiers van de derde klasse voortaan ook af en toe op het promenadedek mogen komen. 

Vrije markt, free enterprise : mooie woorden voor lelijke zaken. Catch as catch can. `Make money, my son. If you can, make it honestly, but do make money.’ Dat is het ware karakter van onze huidige westerse samenleving, dat er voor zal zorgen dat middelmatigheid en banaliteit een steeds sterkere greep op ons samenlevingspatroon zullen krijgen, tenzij er vanuit het socialistisch denken met creativiteit tegenaan gegaan wordt. Maar helaas, if you can’t beat them, join them  schijnt vandaag de dag het credo van de meeste sociaal democratische bestuurders te zijn geworden. Geen inbreng vanuit een idealisme, zoals het socialisme wilde, maar rondsjouwen met een reparatiekit, of pleistertjes op stinkende wonden plakken.

Het toetreden tot het kabinet maakt geen einde aan de crisissfeer binnen de partij. Integendeel, door het stuntelige optreden van twee bewindslieden bij de WAO-operatie wordt het alleen maar erger, en dit des te meer omdat ongeveer de helft van het kiezersbestand het voor gezien houdt. Bij het beteugelen hiervan worden de ordinairste tactieken toegepast: de betrokken bewindslieden worden niet ter verantwoording geroepen, maar in plaats daarvan wordt de schuld werd bij anderen gelegd, onder andere bij de partijvoorzitter, Marianne Sint. Men bestaat het om haar te verwijten dat zij in de vakantieperiode, als de crisis uitbreekt, zomaar een fietstocht in Italië maakt. Kennelijk mag dat niet; kapitale blunders maken bij een wetsvoorbereiding mag wel. Dat Sint de eer aan zichzelf houdt, pleit voor haar. 

Ondertussen wordt de roep om een terugdringen van de gedecentraliseerde structuur steeds luider, in het bijzonder uitgeblaat door schreeuwlelijke yups. Het lukt hen ook nog, en zo zit de partij nu met een volstrekt gecentraliseerde structuur en een bezetting van de belangrijkste posten door figuren die voor geen duit verwantschap hebben met het socialistisch gedachtengoed. De partij staat toe dat het voorzitterschap, dat in de nieuwe structuur een wel heel zware rol is toebedacht, in handen wordt gelegd van een Amsterdamse lefgozer, branieschopper en producent van gebakken lucht. En die bepaalt dan in overheersende mate de nieuwe samenstelling van de Tweede Kamerfractie. 

Dat bij een dergelijke partijstructuur de animo van het gewone lid om te participeren wel heel klein wordt, spreekt voor zich. Niet het om zeep helpen van de gedecentraliseerde structuur en vervanging door een autoritaire, zoals in de jaren vijftig, maar een bijstelling van de bestaande structuur is wat de partij nodig heeft. 

Niet alleen Sint wordt als schuldige aangewezen, maar ook Nieuw Links. Merkwaardig, NL werd in 1970 opgeheven, in 1973 kwam het kabinet Den Uyl, in 1977 haalde de partij zijn grootste verkiezingsoverwinning, tien zetels, en toch heeft dat niet bestaande NL het in de jaren negentig allemaal gedaan. Deze geluiden komen vooral van figuren die of in de jaren zestig nog in de luiers lagen of toentertijd te schijterig waren om aan de vernieuwingsbeweging mee te doen. Naarmate de tijd verloopt, stapelen zich bij mij de frustraties en ergernis op, niet in het minst omdat ik mij niet in het keurslijf van een autoritaire organisatie ingepakt wens te zien. Als de partijvoorzitter zich dan in de herfst van 1992 in een interview ook nog de grootst mogelijke onbeschoftheden jegens de mensen van Nieuw Links permitteert, is voor mij de maat vol: met deze club kan ik niet verder. Met een uitgebreide brief bedank ik, na zesenveertig jaar lidmaatschap.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Over de Rooie — Uitgerangeerd en Kom maar mee naar buiten

Gerrit (Ger) Klein (Den Helder, 4 september 1925 – Rotterdam, 9 december 1998), was een Nederlands politicus en natuurkundige. Namens de Partij van de Arbeid was hij staatssecretaris in het kabinet-Den Uyl en lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het bleek het begin te zijn van manische depressiviteit, dat de rest van zijn leven zou beheersen. “Op een gegeven moment zie je jezelf in je nakie door de vrieskou rondjes om het huis rennen. Daar ging de man die een getalenteerd fysicus en staatssecretaris van onderwijs was: geschift.” De ziekte zou zijn voortgekomen uit frustraties over de gang van zaken rond het debat over Aantjes, waarin Klein niet het woord mocht voeren, en een moeizame relatie met zijn partij.

Op 5 februari 1980 verliet Klein de politiek om toe te treden tot de Raad van Bestuur van TNO, waar hij directeur sociale zaken werd. Dit zou hij tot 1985 blijven doen. Vanaf het eind van de jaren zeventig leed Klein aan manische depressiviteit. Hierover publiceerde hij het boek Over de rooie. Het verhaal van een manisch-depressieve sociaal-democraat. Klein overleed in 1998. Het was mij een eer om met Ger Klein te werken, als zijn redacteur, en aan mij de eer om van de reusachtige stapel manuscripten, in dagelijks overleg met Ger, een samenhangend boek te maken. 

Drie manuscripten kreeg ik op mijn bureau, op het eerste gezicht onsamenhangend materiaal, elkaar overlappend, en niet chronologisch.
“Maak er maar een mooi boek van,” zei de uitgever tegen mij.
En zo kreeg ik contact met Ger Klein, want we moesten veel met elkaar gaan overleggen. De chronologie moest worden bepaald, onduidelijkheden moesten worden opgelost, en er moesten vooral veel darlings worden gekild.

Er was een reden om mij met de redactie van het boek te belasten. De ziekte manisch-depressiviteit is mij niet vreemd. In 1973 en in 1976 ben ik een jaar lang zeer depressief geweest en in die periode werd de ziekte manisch-depressiviteit bij mij gediagnosticeerd. Om duidelijk te zijn: er zijn twee vormen van deze stemmingsstoornis. De patiënt die bipolair I is kent naast de depressieve fase en de hypomane fase ook de manische fase, en bij de patiënt die bipolair II is komt de manische fase niet voor.
Ger was bipolair I, ik ben bipolair II. Van 1973 tot 1985 en van 2004 tot oktober 2005 heb ik lithium gebruikt, een medicijn dat de stemmingswisselingen onder controle moet houden.(Sindsdien gebruik ik geen enkele medicatie meer.) Ik ken de langdurige, diepe depressies en ik ken ook de hypomane episoden, waarin je gigantisch veel kunt produceren en je energie tomeloos lijkt te zijn. “Dan ga je als een straaljager,” placht Ger te zeggen.
Alleen de “gekke” (manische) episode ken ik niet uit eigen ervaring, maar ik kan mij er wel het een en ander bij voorstellen. Daarnaast ben ik jaren actief geweest in de politiek, dus ook in dat opzicht waren er veel raakvlakken.

Ger’s manuscripten maakten veel bij mij los. Wat hij schreef was heel herkenbaar. We hebben vele uren telefonisch contact met elkaar gehad, en in die gesprekken ging het niet alleen over het boek.
Helaas is het boek niet herdrukt en is er slechts af en toe een tweedehands exemplaar bij De Slegte verkrijgbaar. Daarom heb ik besloten om in gedeelten een kleine bloemlezing uit Over de rooie te publiceren op mijn blog en die zonodig te voorzien van kanttekeningen.

Uitgerangeerd
(April 1985 – maart 1986)

Sinds juni 1983 sta ik buiten het arbeidsproces, en vanaf januari 1985 ben ik formeel zonder baan. Toegegeven: mijn werkloosheid wordt verzacht door een relatief hoog inkomen, maar dat betekent nog niet dat het een eenvoudige zaak is om op het nieuwe leven over te schakelen. Gelukkig ben ik altijd een verwoede (overigens niet zo’n goede) klusser geweest, en het werken met de handen is een goede arbeidstherapie. En dan mag ik verder dankbaar zijn dat ik door mijn scholing en arbeidsverleden een aantal interesses kan ontwikkelen, die maken dat ik alles bijeen aan een behoorlijke dagvulling toe kom. Maar ook ik heb last van het euvel dat je vanwege het hebben van alle tijd danig in efficiency achteruit gaat. Voor een voormalig workaholic is dat een bron van ergernis. 

Wat ook opvalt is de grote stilte die rondom je valt. In mijn werkzaam leven heb ik toch een groot aantal activiteiten ontplooid, zowel beroepsmatig als op vrijwillige basis. Dit laatste vooral in mijn politieke partij, waarvoor ik mij een aantal expertises heb eigen gemaakt, met name op organisatorisch gebied. Ik hoor van de landelijke partij niets maar dan ook niets, terwijl ik nu juist de tijd heb om mij in een aantal zaken te verdiepen. Men negeert mij. Waarom? Is dit uit vrees dat ik op de eerste de beste bijeenkomst een scène zal schoppen, of heeft men mij in het kader van de solidariteitsgedachte gemakshalve maar bij de stoeprand gezet? De oude stelling dat socialistische partijen slordig met hun eigen mensen omgaan, wordt in mijn geval bevestigd.

Voor de grotere onderwerpen die ik aanpak, krijgt de studie van joden- en christendom de meeste aandacht. Vroeger heb ik hiervoor, als atheïst, al een grote belangstelling gehad, omdat beide mij voor raadsels zetten met betrekking tot het denken van mensen. Die belangstelling bleef door alle drukte echter oppervlakkig. Nu heb ik alle tijd om mij hierin te verdiepen. Het resultaat hiervan is dat het raadselachtige verdwijnt en plaats maakt voor verbazing, opperste verbazing kan men wel zeggen, en wel vanwege de inconsistentie van beide.

Ook in deze periode vertoont mijn gemoedstoestand een tamelijk rustig verloop, met relatief kleine schommelingen. Slechts eenmaal ben ik gedurende zo’n twee weken maniakaal bezig. Ik verzet in die tijd een onnoemelijke hoeveelheid hoofdwerk. Zo heb ik het in mijn hoofd gezet om maar eens een one manshow te schrijven. Dat lukt me in zo’n twee dagen. De totale voorstellingsduur schat ik op vier uur. De vorm is wel in orde, maar over de inhoud kan men twisten: de conference is vooral geënt op de gebeurtenissen van de laatste jaren. Weliswaar ontspannen gebracht, maar toch one track minded. 

Na zo’n veertien dagen keert de rust in het hoofd terug en heb ik weer stapels grootse gedachten in de kast. Het kan niet uitblijven dat na zo’n lange periode van betrekkelijke rust – van midden 1983 tot begin 1986, dat wil zeggen tweeënhalf jaar – het idee postvat dat men compleet genezen is. Niet veel later zal blijken dat dit toch niet het geval is. 

Kom maar mee naar buiten
(April 1986 – juni 1986)

Wanneer er eind maart 1986 een afwijking in mijn gemoedstoestand in de euforische richting optreedt, beschouw ik deze als een positieve bijstelling van mijn normale toestand, en ervaar dit als heel plezierig. Ik doe dus niet wat mij eigenlijk in zo’n situatie te doen staat: tegengaan, tegenkoppelen. Eerder help ik de ontwikkeling nog een handje: ik ga mij steeds lekkerder voelen. Het resultaat hiervan is dat ik binnen veertien dagen weer in hemelhoge sferen verkeer, en werkelijkheid en waan elkaar aflossen. Vergeleken met de toestand van begin 1979 is de intensiteit minder en treden er ook geen hallucinaties op; de duur van deze fase is echter aanmerkelijk langer – ruim twee maanden – en het aantal waanideeën groter. Mijn activiteit wat papierwerk betreft is weer enorm. Dag in dag uit ga ik door met het volschrijven van blocnotes: problemen, ideeën, waarnemingen, stellingen, beschouwingen, het kan niet op. De registratie is ditmaal niet chaotisch, zoals in 1979, en een en ander kan dan ook gemakkelijk worden gereproduceerd. Dit doende kan men zich bij het meeste afvragen waartoe dit alles in vredesnaam moest dienen. Zo slaan de waarnemingen voor het grootste deel op triviale zaken, en kan slechts een klein percentage als interessant worden aangemerkt. Opvallend hierbij is dat ik na het noteren van een waarneming, net als in 1979, direct met mijn conclusie klaar sta. Tijd om hiertoe te komen heb ik blijkbaar niet nodig; ik weet immers alles. 

Waarom toch al dat genoteer? Dat is nogal duidelijk: ik ben weer het middelpunt van het geheel, en alles wat er met mij of rondom mij gebeurt is van verstrekkende, je kunt wel zeggen historische betekenis, en dient voor het nageslacht bewaard te blijven.
Te midden van deze `ruis’ toch nog een klein percentage betekenisvolle informatie, waaruit blijkt dat ik zo af en toe ook nog tamelijk redelijk over sommige zaken kan nadenken. Dit moet gebeurd zijn in de periodes waarin de werkelijkheidszin het van de waan won. 

Mijn wat wetenschappelijker beschouwingen zijn alle half afgemaakt. Vooral op filosofisch en theologisch terrein is het `van dik hout zaagt men planken’. Bij het filosofisch gedeelte zijn het vooral Heidegger en zijn adepten die het moeten ontgelden. Ik scheld volop op deze verknipte Duitse geest. `Waarom wordt die kerel überhaupt nog serieus genomen? Door wie eigenlijk? Dat is nogal duidelijk: door het wereldje van de “Mutual Admiration Society” van quasi filosofen. Vandaag de dag noemt men iemand een filosoof als hij zeshonderd bladzijden volschrijft over iets wat hij zelf niet heeft begrepen.’ 

Wat de theologie betreft begin ik maar weer eens aan het lezen van de Bijbel. Met het Oude Testament reken ik dit keer snel af; als men nu eens begon met het te herschrijven en alle overtollige informatie zou schrappen, wellicht dat er dan een leesbaar geheel zou overblijven. Qua informatieoverdracht is het ongeveer het poverste boekwerk dat men zich kan denken, en door de slechte signaal/ruisverhouding een dorado voor malafide geloofsexplicateurs.
Wat dit aangaat is het Nieuwe Testament in ieder geval aanmerkelijk beter. Ik concentreer mij hierbij op de analyse van een aantal essentiële verhalen en kom tot verrassende conclusies met betrekking tot Jezus. Als ik dat beeld vergelijk met wat men er vandaag de dag van heeft gemaakt, kom ik tot de uitspraak: `Jezus is de spiritueel meest gemaltraiteerde mens in onze cultuur.’ Wat God betreft kom ik onder andere tot de uitspraak: `Refereren aan God: de ergste vorm van namedropping.‘ 

In deze periode doet zich een nieuw verschijnsel voor: mijn behoefte aan dichten. In de jaren vijftig heb ik mij een tijdje bezondigd aan het maken van hekeldichten, maar nu stort ik mij op het serieuzere werk. Ik gooi mijn totale emotionaliteit in de strijd, mij niets aantrekkend van eventuele regels in dezen. Ik fabriceer produkten waarvan ik meen dat zij een nieuwe dimensie aan de dichtkunst toevoegen. Voor wat de agressiviteit betreft kan dit wellicht nog waar zijn ook. Opvallend is dat ik uitsluitend in het Engels dicht. Een bewuste keus is dit niet geweest. Zeker is wel dat alle resultaten goede afspiegelingen zijn van de gemoedstoestand waarin ik mij gedurende een groot deel van deze periode bevond: zeer agressief, maar tegelijk sentimenteel, stoer, en vol zelfoverschatting. 

Tussen dit alles door houd ik mij ook met ludieker zaken bezig. Zo ontwikkel ik een groot aantal tv spelletjes, waarvan ik, uiteraard, beweer dat zij stuk voor stuk intelligenter zijn dan wat gewoonlijk wordt vertoond. Toegegeven moet worden dat dit nog niets zegt over het absolute niveau.
Verder houd ik mij in deze periode met `kwantitatief cynisme’ bezig: het toetsen van allerlei beweringen van quasi wetenschappers op kwantitatieve criteria, om daarmee het absurde van hun beweringen aan te tonen. Met name figuren die totaal geen kaas hebben gegeten van statistiek, durven de meest krankzinnige uitspraken te doen. Ik parodieer op dit soort gevallen en meen hiermee de betrokkenen op de kast te kunnen jagen. Enkele voorbeelden: 
– Als roker accepteer ik het statistisch gegeven dat rokers gemiddeld meer aan longkanker sterven dan niet rokers; het is voorts een feit dat 100% van de rokers en 100% van de niet rokers uiteindelijk komen te overlijden. Uit deze beide feiten samen volgt dan dat er ten miste één, waarschijnlijk zeer onaangename ziekte is, waaraan procentueel meer niet rokers dan rokers sterven, en dat gemiddeld ook nog op latere leeftijd. 
–  Of: een aantal politicologen weet een subsidie los te krijgen voor een onderzoek naar de achtergrond van onze parlementariërs. Dit kan immers van belang zijn voor het begrijpen van het politiek handelen van deze mensen. Na een jaar rapporteert men dat het onderzoek vordert, maar dat een subsidieverlenging met nog een jaar noodzakelijk is. Die wordt gegund. Na twee jaar komt het rapport: de eerste honderd bladzijden geven definities: wat is een parlementariër, wat is achtergrond, wat is politiek handelen en nog vijfentwintig andere items. Vervolgens komt in drie bladzijden het resultaat van het onderzoek: na uitvoerige computerbewerkingen is vastgesteld dat 51% (± 2%) van de voorouders van de parlementariërs bestond uit mannen, en 49% (± 2%) uit vrouwen. 

Dit spelen met getallen brengt me op het idee om een one-manshow te schrijven, waarin uitsluitend kwantitatieve grappen worden gemaakt. Het aantal onderwerpen dat zich hiervoor leent is vrijwel onbeperkt: van deltawerken en numeri fixi tot aan de aangeduide anti rookhetze. Ik heb dan ook maar een paar dagen nodig om de opzet voor zo’n drie uur durende conference op papier te krijgen. De grappen vind ik, zoals mij in deze psychische toestand past, stuk voor stuk van uitzonderlijke kwaliteit. 

Met al dit soort activiteiten en nog vele andere houd ik mij zo’n twee maanden bezig. Afgezien van enkele kortdurende pieken leidt dit niet tot de extreme opgewondenheid van 1979, hoewel het hoofd vrijwel permanent gloeit. Mijn overlast voor de directe omgeving blijft dan ook beperkt, zij het dat er een flinke uitschieter is. Mijn vrouw is er in de afgelopen zes à zeven jaar steeds in geslaagd om mij verbaal onder de duim te houden, vaak door als een sergeant majoor op te treden. In deze periode is haar incasseringsvermogen voor mijn gedram en `ik weet alles’ houding echter sterk gereduceerd. Op een middag in april staan wij midden in de woonkamer te discussiëren, of beter, te bekvechten. Op elk argument harerzijds kom ik met een `ja maar’, en ontwikkel ik weer één of andere theorie. Dan wordt het haar te gortig; ze stampt zo hard op de grond, dat het huis trilt, en schreeuwt: `Godverdomme, ik ga weg, twee gekken in één huis dat is te veel.’ Eerst pakt zij nog de zware pook van de open haard en jaagt me het huis door naar de slaapkamer, waar zij mij een keiharde tik op een knie geeft. Ondanks de pijn blijf ik het mooie van het geheel zien: `Dit moet een teken van haar liefde zijn.’ 

Even later hoor ik de auto gierend wegrijden. (De overburen hebben ons later verteld dat de rook uit de banden en de vlammen uit de uitlaat sloegen. Overigens bedoelde zij met `twee gekken’ niet de manische en de depressieve gek, maar zichzelf en mij; de folie à deux speelde haar parten.)
Na ongeveer drie uur komt zij terug, mij duidelijk makend dat zij een volgende keer voorgoed wegblijft. Ik leer van dit alles nogmaals dat ik alle grote gedachten maar beter voor mezelf kan houden. Zelfs mijn vrouw begrijpt mij niet meer. 

Ook in mijn optreden naar buiten gebeuren er nieuwe dingen. Ik sta in de ijzerhandel in een korte rij bij de kassa te wachten. Een grote kerel dringt zich voor. Ik tik hem op de schouder en zeg: `U moet achteraan aansluiten.’ Hij grijnst en zegt: `En als ik dat nou eens niet doe?’, waarop ik antwoord: `Kom dan maar mee naar buiten.’ Twee merkwaardige dingen: in de eerste plaats sluit de vent zich achteraan aan, en voorts schrik ik niet van mijn eigen woorden, terwijl ik door één klap van deze beul uitgeteld zou zijn. 

Ik wil in het metrostation Spijkenisse een nieuwe dienstregeling kopen, en betaal met een tientje. Alles gaat naar wens, totdat de man achter het loket aan het wisselgeld toekomt. Hij geeft me terug van vijf gulden.
`En nog vijf gulden,’ zeg ik.
`Hoe bedoelt u?’ vraagt hij.
`Ik bedoel dat ik met tien gulden heb betaald.’
`O nee,’ zegt hij, `ik heb het hier nog liggen.’ Hij rommelt in zijn papiergeld en haalt van onderen een vijfje tevoorschijn.
`Zo kan ik het ook,’ zeg ik.
`Hoe bedoelt u?’
`Ik bedoel dat je uit een stapel papiergeld altijd wel een briefje van vijf tevoorschijn kunt toveren.’
`U wilt toch niet beweren dat ik de zaak fles?’ zegt hij.
`Nou, nu u het zegt, maar wat ik echt beweer is dat ik met een tientje heb betaald. Geeft u mij nu dus maar gauw die vijf gulden, want anders mis ik mijn bus nog.’
`U krijgt geen vijf gulden,’ zegt hij hardnekkig.
Nu word ik goed kwaad en bulder: `Als ik die vijf gulden niet krijg ram ik hier de hele boel in elkaar!’ Ik merk dat de ander mensen in de wachtruimte mij met verstarde blikken aankijken. Ik denk: `De sfeer is goed, die mensen zijn nieuwsgierig hoe dit afloopt.’ Ook de lokettist is kennelijk onder de indruk; waarschijnlijk ziet hij aan mijn ogen dat het met mijn toerekeningsvatbaarheid pover gesteld is.
`Schrijft u maar een brief aan de directeur,’ zegt hij, bij wijze van sussen.
`Als ik al een brief schrijf, schrijf ik hem aan de koningin!’ schreeuw ik. Voor zover de man er al niet van overtuigd was, is hij het nu: die vent is hartstikke gek. 

Dan begint er bij mij toch iets te knagen: `Weet je wel zeker dat je met een tientje hebt betaald?’ Ik kom tot de conclusie dat ik ervan overtuigd ben, maar om nu te zeggen dat ik het zeker weet, nee. Ik besluit, mogelijk zonder gezichtsverlies, te retireren, en zeg theatraal: `Ik zal zoals altijd maar weer de wijste zijn. Veel geluk met mijn vijf gulden.’ Bij de deur roep ik nog: `Ik zal aan je carrière denken.’ Buiten, in de frisse lucht, realiseer ik mij met schrik dat ik werkelijk van plan was om de boel in elkaar te slaan. Ik concludeer dat de zaken toch weer aardig uit de hand dreigen te lopen. 

Dit waren nog tamelijk onschuldige gevallen, vergeleken met een andere situatie. Onze tandarts woont in Den Haag. Mijn vrouw en ik gaan er samen heen. Als de een onder behandeling is, wacht de ander in een coffeeshop dichtbij. Ik ben de wachtende en zit in de zaak aan een grote tafel in het midden. Zo’n drie meter voor mij staan vier gokmachines. Ik zie dat vijf jonge kerels langs de kant bij deze machines staan. Eén ervan is zeer conventioneel gekleed, waarschijnlijk een commerciële pief. Ik merk dat hij instructies aan de anderen geeft. Eerst laat hij een beer van een vent als een waanzinnige op een van de machines raggen. Als dat enige tijd heeft geduurd, komt aan de tweede machine recht tegenover mij een heel enge jongen, een vieze adonis, staan. Op zijn achterhoofd heeft hij een vies haarstuk, dat eruit ziet als een mislukte penis. 

Hij begint te spelen, draait zich af en toe naar mij om, en produceert dan een intens smerig lachje. Na enige tijd haalt de voorman hem weg en vervangt hem door een van de anderen, die geen aandacht aan mij schenkt. Ondertussen staat de viezerik aan de zijkant naar mij te loeren en te grijnzen. Als dat zo een tijdje heeft geduurd, wordt de aftocht geblazen en lopen ze, achter elkaar in ganzenmars, naar de uitgang. Achterop loopt de vunzerik, die mij nogmaals toegrijnst. 

Ik denk: `Mijn God, ze houden me voor een overjarige homo en proberen mij met deze seance opgehitst te krijgen. De kleine manipulators, ze treffen het niet, want toevallig ben ik een betere. Wedden dat direct de viezerik recht tegenover mij op het pleintje verschijnt?’ En inderdaad, nog geen halve minuut later komt hij eraan en begint met zichzelf te koketteren, ondertussen kennelijk als verleidelijk bedoelde blikken in mijn richting werpend. 

Mijn maag keert om. Ik overleg: `Wat doe je? Speel je het spelletje mee en ga je erop af? Deze smeerlap vloer ik op het ogenblik dat we hun huis binnengaan maar dan blijven er nog vier over, waarvan twee gorilla’s.’ 
Zelfs in de stoutmoedige toestand waarin ik verkeer lijkt mij dat toch wel wat te veel van het goede: vijf lijken op één middag. Ik besluit om er een eind aan te maken en maak met de zijkant van mijn hand een snijbeweging langs mijn keel. De knul reageert prompt: hij maakt rechts uit de flank en zet het op een lopen, mij achterlatend met spijt dat het mij niet gelukt is om mee te helpen aan het oprollen van een boevenbende. 

Wat later bedenk ik hoe ik in vredesnaam serieus heb durven overwegen om alleen op dat tuig af te gaan. De verklaring voor dit wel heel stoere gedrag is gelegen in het toenemend egocentrisme gedurende de (hypo )manische fase. In 1979 had ik hier al eens mee te maken, maar in deze periode was dit veel sterker het geval. Dit verschijnsel leidt niet alleen tot vergroting van de eigen belangrijkheid, maar ook tot de overtuiging dat alles om jou draait: niet langer sta jij in de wereld, maar draait de wereld met alles erop en eraan om jou. Wanneer dit proces zich één à twee weken heeft voortgezet, ontstaat een situatie waarbij men zich ook veruit de belangrijkste en machtigste grootheid in het universum waant. Zodra men overgelaten is aan zijn eigen gedachten, treden deze waandenkbeelden het sterkst op, en zo kon het gebeuren dat ik een paar weken lang elke morgen om zes uur een tv programma voor alle kinderen in de wereld verzorgde. Ik was ervan overtuigd dat de kijkdichtheid enorm was. 

De verstgaande conclusie bereikte ik na zo’n vier weken. Er bestond, alles afwegend, geen enkele twijfel aan: ik was de Messias waarop zo lang was gewacht. Dat hadden ze nooit kunnen denken; altijd beweerden ze dat het er een van de eigen club zou zijn. Eén ding klopt in ieder geval wel: het zou een gewoon manspersoon zijn, levend en werkend te midden van het volk. Voilà. 

Hoewel dit soort ideeën het sterkst doorwerkte als ik los van de werkelijkheid was, bleef er toch ook het nodige van over indien ik met de benen op de grond werd gedwongen. Zo nam ik met genoegen waar dat alle mensen in het dorp naar mij keken. Logisch: je loopt de Messias niet elke dag tegen het lijf. Voorts viel me op dat alle, maar dan ook alle vrouwen opeens mooi waren. Een duidelijk bewijs van mijn uitstraling. En zo ging het maar door. Op zich is dit een aangename psychische toestand, maar wel teleurstellend als de overgang naar het normale moet worden gemaakt. 

Een gevaarlijke kant aan dit alles was de erbij optredende stoutmoedigheid: `mij maken ze niets, wie durft een vinger naar de Messias uit te steken?’ Deze houding uitte zich onder andere bij het incident in Den Haag: het getuigt toch wel van enige overmoed om serieus te overwegen vijf jonge kerels te lijf te gaan, zelfs als men meent over uitzonderlijke hypnotische eigenschappen te beschikken. 

Zo abrupt als deze cyclus eind maart 1986 begonnen was, eindigde hij ook begin juni: binnen enkele dagen bevond ik mij weer in een normale, licht depressieve toestand.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Over de Rooie — Van ziek tot beter?

Gerrit (Ger) Klein (Den Helder, 4 september 1925 – Rotterdam, 9 december 1998), was een Nederlands politicus en natuurkundige. Namens de Partij van de Arbeid was hij staatssecretaris in het kabinet-Den Uyl en lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het bleek het begin te zijn van manische depressiviteit, dat de rest van zijn leven zou beheersen. “Op een gegeven moment zie je jezelf in je nakie door de vrieskou rondjes om het huis rennen. Daar ging de man die een getalenteerd fysicus en staatssecretaris van onderwijs was: geschift.” De ziekte zou zijn voortgekomen uit frustraties over de gang van zaken rond het debat over Aantjes, waarin Klein niet het woord mocht voeren, en een moeizame relatie met zijn partij.

Op 5 februari 1980 verliet Klein de politiek om toe te treden tot de Raad van Bestuur van TNO, waar hij directeur sociale zaken werd. Dit zou hij tot 1985 blijven doen. Vanaf het eind van de jaren zeventig leed Klein aan manische depressiviteit. Hierover publiceerde hij het boek Over de rooie. Het verhaal van een manisch-depressieve sociaal-democraat. Klein overleed in 1998. Het was mij een eer om met Ger Klein te werken, als zijn redacteur, en aan mij de eer om van de reusachtige stapel manuscripten, in dagelijks overleg met Ger, een samenhangend boek te maken. 

Drie manuscripten kreeg ik op mijn bureau, op het eerste gezicht onsamenhangend materiaal, elkaar overlappend, en niet chronologisch.
“Maak er maar een mooi boek van,” zei de uitgever tegen mij.
En zo kreeg ik contact met Ger Klein, want we moesten veel met elkaar gaan overleggen. De chronologie moest worden bepaald, onduidelijkheden moesten worden opgelost, en er moesten vooral veel darlings worden gekild.

Er was een reden om mij met de redactie van het boek te belasten. De ziekte manisch-depressiviteit is mij niet vreemd. In 1973 en in 1976 ben ik een jaar lang zeer depressief geweest en in die periode werd de ziekte manisch-depressiviteit bij mij gediagnosticeerd. Om duidelijk te zijn: er zijn twee vormen van deze stemmingsstoornis. De patiënt die bipolair I is kent naast de depressieve fase en de hypomane fase ook de manische fase, en bij de patiënt die bipolair II is komt de manische fase niet voor.
Ger was bipolair I, ik ben bipolair II. Van 1973 tot 1985 en van 2004 tot oktober 2005 heb ik lithium gebruikt, een medicijn dat de stemmingswisselingen onder controle moet houden.(Sindsdien gebruik ik geen enkele medicatie meer.) Ik ken de langdurige, diepe depressies en ik ken ook de hypomane episoden, waarin je gigantisch veel kunt produceren en je energie tomeloos lijkt te zijn. “Dan ga je als een straaljager,” placht Ger te zeggen.
Alleen de “gekke” (manische) episode ken ik niet uit eigen ervaring, maar ik kan mij er wel het een en ander bij voorstellen. Daarnaast ben ik jaren actief geweest in de politiek, dus ook in dat opzicht waren er veel raakvlakken.

Ger’s manuscripten maakten veel bij mij los. Wat hij schreef was heel herkenbaar. We hebben vele uren telefonisch contact met elkaar gehad, en in die gesprekken ging het niet alleen over het boek.
Helaas is het boek niet herdrukt en is er slechts af en toe een tweedehands exemplaar bij De Slegte verkrijgbaar. Daarom heb ik besloten om in gedeelten een kleine bloemlezing uit Over de rooie te publiceren op mijn blog en die zonodig te voorzien van kanttekeningen.

(Juli 1983 – maart 1985)

In de vakantie die volgt knap ik vlot op. In de daaropvolgende anderhalf jaar blijft dat zo; een acceptabel, werkbaar evenwicht, met enkele kleine afwijkingen in de euforische richting. Wat het ziekteproces betreft kan de rapportage over deze periode dan ook kort zijn. Maar het is ook de periode waarin mijn vertrek bij TNO zijn beslag krijgt, en het lijkt dienstig om inzicht te verschaffen in de problemen waarmee een grotendeels genezen geesteszieke te maken kan krijgen. 

Nadat ik voldoende ben opgeknapt, vraag ik mij af hoe het verder moet met TNO. Niet vanwege mijn gezondheidstoestand, maar vanwege de inmiddels onmogelijk geworden verhouding met de voorzitter. Of ik ga weg, of hij. De kans op het laatste acht ik heel klein; er zijn in het roddelcircuit en met name door die voorzitter belachelijke verhalen over mijn geestestoestand verspreid, die maken dat velen, waaronder beslissingsbevoegden, wel sympathie voor mij voelen, maar mij tegelijkertijd als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen. Ik bedenk dat mijn sociale zekerheid bij dit alles groot is. Ik ben benoemd bij Koninklijk Besluit en kan ook alleen bij zo’n Besluit worden ontslagen. En alvorens de koningin en de minister hun handtekening zetten, moet er wel het nodige gebeuren. Voorts is mijn inkomen vooralsnog gegarandeerd. 

Zo’n bevoorrechte positie schept verplichtingen. Ik besluit om de handdoek voorlopig nog niet in de ring te gooien. Eind augustus heb ik een gesprek met de voorzitter en een ander lid van de Raad van Bestuur, alsmede met een lid van het Algemeen Bestuur. Omdat het hun ook duidelijk is dat ik niet meer met de voorzitter wens te spreken, voert het andere lid van de Raad het woord. Hun standpunt luidt: te vaak ziek, hetgeen schadelijk is voor de organisatie.
Maar men heeft iets moois bedacht: raadsadviseur van de minister van O en W, gedetacheerd vanuit TNO.
 
Ik stel dat men eerst maar eens de argumenten voor vertrek en de voorstellen voor eventueel ander werk op papier moet zetten, zodat er geen misverstanden kunnen ontstaan. Deze brief komt eind september. Men gaat alleen in op het raadsadviseurschap. Op mijn vraag waarom ik zo nodig weg moet, wordt niet ingegaan. In mijn schriftelijke antwoord hierop stel ik dat zolang er geen bevredigend antwoord op deze vraag wordt gegeven, ik niet bereid ben om over ander werk te praten. Ik herinner eraan dat in ons gesprek hunnerzijds is gesteld dat mijn functioneren tijdens de gezonde periodes alle lof verdient. Verder blijkt uit het ziekteverloop sinds 1980 dat de frequentie van mijn afwezigheid afneemt, en ik het laatste jaar nog slechts tweemaal gedurende een korte periode heb verzuimd. Ik stel daarom voor: continueren van de huidige functie gedurende een jaar, waarna een evaluatie plaatsvindt. 

Binnen een week heb ik antwoord: mijn voorstel wordt zonder meer verworpen; in de afgelopen tijd is er in feite steeds sprake geweest van een gedeeltelijk en onvoldoende functioneren.
Men eindigt de brief fijntjes met: `(…) meent de Raad van Bestuur dat de voorgestelde oplossing niet aanvaardbaar is met het oog op het belang van de organisatie en zijn ongeveer vijfduizend medewerkers’. En dat terwijl ik door mensen in de organisatie werd gezien als de man die in de Raad van Bestuur juist over de belangen van de medewerkers waakt, de man waarvan ze zeggen dat alles veel soepeler loopt als hij het voorzitterschap waarneemt, zijn eigen winkel zo goed heeft georganiseerd dat zijn kortstondig wegvallen geen moeilijkheden veroorzaakt, te meer niet omdat dan het contact met de medewerkers thuis wordt onderhouden. 

Hierop volgt een venijnige briefwisseling, en als dit allemaal niets oplevert – het is inmiddels februari 1984 – een gesprek met de overige leden van de Raad. Ook ditmaal zegt de voorzitter geen woord. Als ik zelfs geen genoegdoening krijg voor de schandelijke behandeling in juni van het jaar tevoren, houd ik het voor gezien. Ik laat weten dat ik niet zal meewerken aan de door de Raad voorgestelde oplossing. 

Enkele dagen later heb ik een gesprek met minister Deetman. Ik verzoek hem om een onderzoek te laten instellen. Een aantal weken later wordt een kleine commissie ingesteld. De leden, professor Dirken, rector magnificus van de TH Delft, en professor De Moor, rector magnificus van de Katholieke Hogeschool te Tilburg, voeren het overleg met mij. In deze twee mensen heb ik, gezien mijn jarenlange ervaring met hen, alle vertrouwen. Dat blijkt terecht. In september ontvang ik hun concept rapport; het is een fatsoenlijk stuk. Dat laat onverlet dat voor enkele getuigenverklaringen geldt wat een rechter die zich bezighield met arbeidsconflicten mij ooit vertelde: `Als in zo’n conflict een getuige afhankelijk is van een der partijen, moet men een groot vraagteken zetten bij zijn verklaringen.’ Verder wordt het rapport gedragen door de mooie gedachte `alles voor de lieve vrede’. 

Ten slotte adviseert de commissie mij om onder zeer gunstige voorwaarden mijn ontslag te nemen. Geen detachering of ander alternatief werk, maar geheel vrij.
Ik begin inmiddels schoon genoeg van de hele kwestie te krijgen, en voorts wordt mijn geestelijke stabiliteit toch aanzienlijk op de proef gesteld. Bovendien kan er gegeven het feit dat men de voorzitter er niet uit wil gooien, geen sprake van mijn terugkeer zijn. Ik besluit om het voor gezien te houden, het is mooi geweest. 

Medio november heb ik nog een gesprek met Dirken en De Moor. Wij worden het snel eens over de condities voor mijn vertrek.
Per 1 januari 1985, anderhalf jaar na mijn laatste werkdag, dien ik mijn ontslag in bij de minister.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Over de Rooie — Gesprekken met honden, mussen en lieveheersbeestjes

Gerrit (Ger) Klein (Den Helder, 4 september 1925 – Rotterdam, 9 december 1998), was een Nederlands politicus en natuurkundige. Namens de Partij van de Arbeid was hij staatssecretaris in het kabinet-Den Uyl en lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het bleek het begin te zijn van manische depressiviteit, dat de rest van zijn leven zou beheersen. “Op een gegeven moment zie je jezelf in je nakie door de vrieskou rondjes om het huis rennen. Daar ging de man die een getalenteerd fysicus en staatssecretaris van onderwijs was: geschift.” De ziekte zou zijn voortgekomen uit frustraties over de gang van zaken rond het debat over Aantjes, waarin Klein niet het woord mocht voeren, en een moeizame relatie met zijn partij.

Op 5 februari 1980 verliet Klein de politiek om toe te treden tot de Raad van Bestuur van TNO, waar hij directeur sociale zaken werd. Dit zou hij tot 1985 blijven doen. Vanaf het eind van de jaren zeventig leed Klein aan manische depressiviteit. Hierover publiceerde hij het boek Over de rooie. Het verhaal van een manisch-depressieve sociaal-democraat. Klein overleed in 1998. Het was mij een eer om met Ger Klein te werken, als zijn redacteur, en aan mij de eer om van de reusachtige stapel manuscripten, in dagelijks overleg met Ger, een samenhangend boek te maken. 

Drie manuscripten kreeg ik op mijn bureau, op het eerste gezicht onsamenhangend materiaal, elkaar overlappend, en niet chronologisch.
“Maak er maar een mooi boek van,” zei de uitgever tegen mij.
En zo kreeg ik contact met Ger Klein, want we moesten veel met elkaar gaan overleggen. De chronologie moest worden bepaald, onduidelijkheden moesten worden opgelost, en er moesten vooral veel darlings worden gekild.

Er was een reden om mij met de redactie van het boek te belasten. De ziekte manisch-depressiviteit is mij niet vreemd. In 1973 en in 1976 ben ik een jaar lang zeer depressief geweest en in die periode werd de ziekte manisch-depressiviteit bij mij gediagnosticeerd. Om duidelijk te zijn: er zijn twee vormen van deze stemmingsstoornis. De patiënt die bipolair I is kent naast de depressieve fase en de hypomane fase ook de manische fase, en bij de patiënt die bipolair II is komt de manische fase niet voor.
Ger was bipolair I, ik ben bipolair II. Van 1973 tot 1985 en van 2004 tot oktober 2005 heb ik lithium gebruikt, een medicijn dat de stemmingswisselingen onder controle moet houden.(Sindsdien gebruik ik geen enkele medicatie meer.) Ik ken de langdurige, diepe depressies en ik ken ook de hypomane episoden, waarin je gigantisch veel kunt produceren en je energie tomeloos lijkt te zijn. “Dan ga je als een straaljager,” placht Ger te zeggen.
Alleen de “gekke” (manische) episode ken ik niet uit eigen ervaring, maar ik kan mij er wel het een en ander bij voorstellen. Daarnaast ben ik jaren actief geweest in de politiek, dus ook in dat opzicht waren er veel raakvlakken.

Ger’s manuscripten maakten veel bij mij los. Wat hij schreef was heel herkenbaar. We hebben vele uren telefonisch contact met elkaar gehad, en in die gesprekken ging het niet alleen over het boek.
Helaas is het boek niet herdrukt en is er slechts af en toe een tweedehands exemplaar bij De Slegte verkrijgbaar. Daarom heb ik besloten om in gedeelten een kleine bloemlezing uit Over de rooie te publiceren op mijn blog en die zonodig te voorzien van kanttekeningen.

(Februari 1980 – juni 1983)

Een nieuwe veelbelovende baan, vijftien maanden na het begin van mijn ziekte. Welke burger krijgt die kans? Ik zou er als vanouds tegenaan willen gaan, maar ik weet dat dat toch wat te veel gevraagd is. Weliswaar is het depressieve gevoel de laatste maanden afgenomen, maar de overblijfselen zijn toch voldoende om het dynamische in mijn karakter sterk te reduceren. Ik troost mij met de gedachte dat ook daar mee te werken valt, en dat een verminderde gevoeligheid voor externe prikkels niet alleen nadelen heeft. Kortom, ook met de huidige combinatie van eigenschappen moet ik kunnen functioneren, en bovendien mag ik er toch op rekenen dat een en ander in de komende tijd steeds meer in de richting van het normale zal gaan? Voor de rest hangt er vanzelfsprekend veel af van mijn arbeidsterrein en de arbeidssfeer, zowel in de Raad van de Bestuur als met de medewerkers.

Als ik de organisatie wat beter leer kennen, blijkt mij alras dat er over de hele linie een wel heel sterke hiërarchie met een autoritair karakter heerst. Het ziet er niet naar uit dat de beoogde reorganisatie hierin veel verandering zal brengen. Ik neem me dan ook voor om door middel van het sociaal beleid bij te dragen aan een sfeerverandering. Het blijkt al gauw dat dit niet strookt met de opvattingen van enkelen van mijn collega’s. Met name de voorzitter houdt er met betrekking tot het democratiseringsgehalte van de organisatie ideeën op na die thuishoren in de jaren vijftig of vroeger. Verder gedraagt hij zich alsof er geen sprake is van een collegiaal bestuur, maar van een bestuur met een voorzitter, die hiërarchisch gezien als nummer één moet worden beschouwd. Zo’n instelling moet wel tot spanningen leiden. Die komen er dan ook volop, in het bijzonder tussen de voorzitter en het jongste lid van het bestuur.

De territoriumdrift is enorm. Een groot deel van de vergadertijd wordt aan de reorganisatie besteed. Men is bezeten van de rechthoekjes modellen waarmee vele organisatiedeskundigen zo graag wapperen, tegen een wel zeer hoge uurprijs. Dat het hierbij ook om mensen gaat, wordt door enkelen van de collega’s of vergeten of gebagatelliseerd. Mijn rol bij deze discussies bestaat dan ook voor een deel uit het op gezette tijden constateren van het feit dat mensen geen baaltjes meel zijn.

Zo komen we het eerste jaar door, en voor mij geldt: een kleine belasting wat de eigen portefeuille betreft en voorts deelnemer aan het overleg binnen de Raad, waarbij de spanningen blijven toenemen. Mijn relatie met drie van de vier collega’s is goed, maar die met de voorzitter wordt met de dag slechter.

Zowel de kleine belasting als het permanent vertoeven in een spanningsveld werken ten nadele van mijn herstelproces. Te weinig werk betekent te veel tijd over om weer weg te zakken, hetgeen tot gevolg heeft dat mijn gemoedstoestand niet langer terugkrabbelt naar de normale toestand, maar juist de andere kant opgaat: ik word weer droefgeestiger en tegelijk ook passiever. Wat ik al wist wordt nu bevestigd: door de aanwezigheid van enkele machtsdenkers wordt het besturen steeds inefficiënter, nemen de spanningen toe, wordt de onderlinge werkbelasting volkomen scheefgetrokken, en gaat de organisatie gonzen.

Een en ander zet door in 1981, waarbij ik kennelijk steeds meer als de uithuilbaas van de organisatie wordt gezien. Bijna alle problemen en frustraties die ik te horen krijg, zijn terug te voeren op het baasje-spelen van de voorzitter. Mijn interventies bij hem halen niets uit; de man is een schoolvoorbeeld van een modellendenker, die slechts de informatie in zijn systeem verwerkt die in zijn kraam te pas komt.

En dan begint mijn gemoedstoestand in mei 1981 plotseling tamelijk snel te veranderen. Van matig in mineur loopt die in enkele weken op tot normaal, om vervolgens door te schieten naar een euforische toestand. Het is mij niet duidelijk welk proces deze grote verandering, na twee jaar in een meer of minder zware depressieve toestand te hebben verkeerd, in een paar weken tijd bewerkstelligt.

Vervolgens duurt het maar een paar weken en ik bevind mij weer in de hypomanische toestand.

De aantekeningen die ik in juni 1981 heb gemaakt, lijken in vorm en inhoud heel sterk op hetgeen ik in het begin van de eerste manische fase produceerde. Ik ben weer heel bezorgd over het verloren gaan van informatie – `alles wat er nu gebeurt is essentieel’ – hetgeen zich niet alleen uit in het bewaren van alle kranten en documenten, maar ook in het opschrijven van de meest triviale feiten.

In een poging om het functioneren van de Raad van Bestuur te verbeteren, is afgesproken dat we vanaf 15 juni 1981 zo’n tweeënhalve dag in retraite gaan, en wel in Ermelo. Op weg erheen verkeer ik in een uitgelaten stemming, en wij – de twee collega’s, de chauffeur en ik – hebben geweldig veel plezier. (Ik herinner mij dat het vooral absurdistische humor was die wij debiteerden.) De eerste avond gebeurt er volgens mij weinig schokkends. De volgende morgen vergaderen we op een normale wijze. Over wat er verder gebeurt bestaan verschillende lezingen. Mijn waarneming is: er wordt, om voor mij onduidelijke redenen, besloten dat we ’s middags niet zullen vergaderen, maar gaan wandelen in het grote bos. Ik vind het wel een goed idee, met vergaderen kom je niet nader tot elkaar, met wandelen door het bos wellicht wel. Tijdens de wandeling met twee collega’s voel ik mij heerlijk. Ik geniet van alles wat ik hoor en zie. Als we bij het hotel terugkomen en wat uitrusten op het terras, blijven de collega’s maar druk heen en weer lopen. Ik praat ondertussen met twee mussen die op de luifel van de ingang zitten, en met een lieveheersbeestje op mijn pols. Zij vormen een dankbaar gehoor. Ik verbaas mij erover dat wij het diner niet in het hotel gebruiken, maar in een klein bijgebouwtje, waar we geheel op ons zelf zijn. Ik voel mij heerlijk, en praat vooral over al het goede dat ons deelachtig is.
Na beëindiging van de maaltijd ga ik het bos in, en ontmoet daar een grote hond, die net begonnen is met het graven van een kuil in een heuveltje. Hij houdt op als ik bij hem kom, maar als ik enthousiast `allee’ roep, begint hij als een waanzinnige te graven. Na zo’n halve minuut stopt hij en kijkt mij aan. Mijn volgende `allee’ doet hem weer furieus beginnen. We houden dit spelletje zo’n twintig keer vol. Hij heeft dan een kleine kubieke meter zand verplaatst. Ik spreek hem lovend toe en we keren samen terug naar het hotel. Hij ziet eruit als een mijnwerker die zich een week niet heeft gewassen. Het begint al donker te worden, en bij het hotel aangekomen gaan we als vrienden uit elkaar. Op de oprit staat een van de collega’s mij op te wachten, en hij vertelt mij zeer behoedzaam dat mijn vrouw en onze pleegzoon zijn gearriveerd. Als we elkaar hebben begroet en ik van mijn verbazing over hun aanwezigheid heb laten blijken, vertelt mijn vrouw mij dat zij zijn gekomen om mij op te halen. Als ik stel dat ik het prima naar mijn zin heb, zegt ze dat dr Mojet het ook nodig acht dat ik naar huis terugkeer. Ik verzet mij verder niet, en in de late avond rijden wij met zijn drieën van Ermelo naar Oostvoorne, waar ik omstreeks 1 uur ’s nachts een injectie krijg van dr Ferket, onze nieuwe huisarts. Ik slaap goed.

Tot zover mijn versie van de gebeurtenissen die middag en avond. De collega’s hebben mij, ook later, niet verteld wat zij hebben waargenomen. Wel aan mijn vrouw. Ik zou al de eerste avond in het hotel de boel op stelten hebben gezet. De tweede avond zou ik een enorm verbaal geweld ten toon gespreid hebben, voorts lachend en juichend in de omgeving van het hotel hebben rond gesprongen, en met alle vogels en dieren hebben gepraat. ’s Middags, toen we in het bos waren, is er contact opgenomen met mijn vrouw en dr Mojet. Na het nodige heen en weer gebel werd afgesproken dat mijn vrouw mij zou komen ophalen. Mijn vrouw heeft mij veel later verteld dat het telefoneren iets anders was verlopen. Zij werd gebeld door een collega die volstrekt in paniek was, en het had veel moeite gekost om alles op een rijtje te krijgen. Zo had zij van de huisarts een injectie meegekregen, die zonodig door een plaatselijke huisarts had kunnen worden toegediend.

Indien we de constateringen van mijn vrouw in de versie van mijn collega’s verwerken, blijven er twee verhalen over hetzelfde gebeuren over: het mijne en dat van hen. Het ligt uiteraard voor de hand om mijn verhaal als onjuist aan te merken. Ik kan echter moeilijk geloven dat dit zo is. Zeker, ik had het manische stadium vrijwel bereikt, maar ik weet `zeker’ dat mijn bewuste beleving van de werkelijkheid geen moment verstek liet gaan. Als dit werkelijk zo was, blijft er maar één andere mogelijkheid over, namelijk dat mijn inderdaad uitzonderlijk gedrag een zodanige invloed op enkelen van de collega’s had, dat deze `de kop verloren’.

In wat nog volgt zullen enkele voorvallen worden beschreven, waarbij in feite eenzelfde situatie ontstond: mijn verhaal of dat van hen, en in al die gevallen kwam ik tot dezelfde conclusie, namelijk dat mijn verhaal correct was. Aangenomen dat dit inderdaad het geval is, zou dit betekenen dat ik in de manische toestand een zeer grote `inductiekracht’ had, die bijvoorbeeld de voorzitter voor mij deed wegvluchten.

Zo begon de tweede cyclus van mijn ziekte, wederom bestaande uit twee fasen. De intensiteit van beide was echter aanzienlijk minder dan in de eerste cyclus. Zo waren er in de manische fase geen hallucinaties. Wel trad hierbij een nieuw, nogal aangenaam, verschijnsel op. We rijden op een stille weg in Europoort. Alleen het geluid van de banden is te horen. Plotseling hoor ik hier bovenuit heel zachte muziek. Ik kijk of de autoradio aanstaat. Dat is niet het geval. Van buiten kan het niet komen. Ik luister intensief.

De muziek wordt langzaam krachtiger. Het is een fantastische mars, staccato, waardoor het op een mars van Beethoven lijkt, maar hij is nieuw. Als het eind bereikt is, begint het opnieuw. Zo gaat het door, zo’n vijf keer. Dan doe ik een poging het te stoppen, door er dwars doorheen te fluiten. Dat lukt niet. Op het laatst word ik toch wel benauwd; erg mooi die muziek, maar het is toch niet de bedoeling dat ik er tot in lengte van dagen continu naar moet luisteren. Pas als de auto stilstaat houdt het op. Ik realiseer mij dat er een synchronisatie heeft plaatsgevonden met het ritme van de banden.

Als ik een paar dagen later ’s avonds in de keuken sta, gebeurt hetzelfde, en weer is het een prachtige mars. Nu kan ik de aanjager aanwijzen: de afwasmachine met haar zachte gedreun. Het is volstrekt duidelijk dat het verschijnsel overeenkomt met het synchroniseren van een oscillatorisch circuit. Hoe de fraaie muziek erop gemoduleerd wordt, is voor mij een raadsel. Een en ander herhaalt zich tijdens de (hypo-) manische fase met regelmaat. Het is interessant dat ik een componist uit de tweede hand ben geworden; `de Sousa van de jaren tachtig’, denk ik.

Eind juni word ik nogmaals met een geste van mijn collega’s geconfronteerd. Ik lees in de TNO-krant, die ik thuis ontvang, dat de Raad van Bestuur tijdens zijn retraite de werkverdeling heeft gewijzigd. Het komt erop neer dat mijn portefeuille drastisch is ingeperkt. Fraai om dat uit de krant te moeten vernemen. Ik wil het besluit nog wel positief uitleggen: men heeft wellicht gedacht dat mijn psychische toestand het gevolg is van overbelasting. Wel grappig, als je bedenkt dat het eerder door een te kleine belasting komt. Uiteraard is er ook negatieve uitleg mogelijk: men, en dan in het bijzonder de voorzitter, heeft een en ander aangegrepen om mij verder af te bouwen.

Op 3 juli, drie weken na Ermelo, trouwt onze zoon in Rotterdam. Men stelt vast dat ik onmogelijk de trouwerij en bruiloft beide kan bijwonen. Ik zal daarom alleen naar de trouwerij gaan. Om een of andere reden hangen er veel vlaggen in Rotterdam. Als ik die bij het binnenrijden zie, weet ik het meteen: die hangen er vanwege het trouwen van onze zoon. Sterker nog: daar heb ik voor gezorgd. Het totaal aantal waanideeën in deze cyclus blijft beperkt, angsten zijn er niet, en begin augustus ben ik weliswaar nog zeer kwetsbaar, maar toch wel zover dat ik het werk wil hervatten. Afgesproken wordt dat ik op 17 augustus weer begin, twee maanden na Ermelo.

Als ik die dag op kantoor verschijn, wordt mijn kwetsbaarheid meteen op de proef gesteld. Mijn secretaresse vertelt mij dat de voorzitter mij om half tien wil spreken. Ik denk: `Toch aardig van hem om mij na zo’n twee maanden even te verwelkomen.’ Het pakt anders uit. Ik zit nauwelijks, of hij zegt: `Je begrijpt wel dat we zoiets niet nog eens kunnen hebben. Dan moet je weg’. Ik denk: `Schooier die je bent. In Ermelo deed je het nog in je broek, en nu weer de flinke bink uithangen?’ Ik wacht enkele seconden met antwoorden, hetgeen bij hem zonder twijfel de gedachte doet postvatten dat ik diep onder de indruk van de mededeling ben. Niets is minder waar: ik heb op dit punt in de loop der tijd de nodige hardheid opgebouwd, en bovendien is de sociale zekerheid van een lid van de Raad van Bestuur zeer groot. Ik kies voor de flexible response en zeg: `Over dat eventuele weggaan beslissen uiteraard het Algemeen Bestuur en de minister en niet jij. En ik vermoed dat ik beide instanties goed kan voorlichten over wat er met mij en de organisatie aan de hand is.’ Hij mompelt iets in de geest van: `Je weet dus hoe ik erover denk,’ waarna ik hem er nog op wijs dat dit interessant is om te weten, maar dat hij slechts één van de vijf leden van de Raad van Bestuur is, en dat alleen uitspraken van de Raad in zijn geheel van betekenis zijn. Dat is tegen het zere been, gelet op zijn eindeloze pogingen om hiërarchisch de eerste man van dit college te worden. Keer op keer heeft hij wat dit punt betreft de kous op de kop gekregen.

Na mijn terugkeer volgt er een lange tijd, bijna twee jaar, waarin mijn psychische toestand een golfbeweging maakt; periodes van zo’n twee maanden waarin ik matig depressief ben, zich uitend in een flinke melancholie, afgewisseld door wat kortere periodes waarin de neiging tot doorschieten naar het hypomanische bestaat. Zoals gezegd is dit, vanwege de grote kans op meekoppelen, de meest labiele toestand. Ik blijk goed op de medicijnen te reageren, en in de aanloop tot de manische toestand wordt een `evenwicht’ bereikt op een niveau waarbij ik een flinke opgewondenheid combineer met een grote dosis pushing power, zeg maar doordrammerigheid. Uiteraard voel ik mij dan prima.

Mijn invloed op de omgeving binnen TNO is in deze toestand merkwaardig: een aanzienlijk aantal mensen straalt angst uit bij contact met mij, alsof ik op het punt sta hen levend te villen. Omdat dit niet kan zijn veroorzaakt door mijn bejegeningen, zie ik maar twee mogelijkheden:
1. In deze bijna-manische toestanden krijgen mijn ogen een zeer felle uitdrukking, die beangstigend zou kunnen werken;
2. de geruchtenvorming over mijn gedrag in Ermelo.
In een enkel geval gaat de reactie wel heel ver. De bedrijfsarts, die later nog een belangrijke rol zal spelen, raakt bij twee gesprekken met mij in een soort ijltoestand. Ik ga hem daarna zoveel mogelijk uit de weg, en krijg de indruk dat hij dat niet erg vindt.

Nog een voorbeeld van de reactie van de omgeving op mijn bijna-manisch gedrag: in Noordwijkerhout is een conferentie voor alle directeuren georganiseerd, waarbij ook de Raad van bestuur aanwezig zal zijn. Ik bevind mij dan in een on top of the world-toestand. Mijn collega’s zijn doodsbenauwd dat ik op deze conferentie weer op hol zal slaan, en zij proberen mij er, door met hun vieren om mij heen te gaan staan, van te overtuigen dat ik beter op mijn gemak thuis kan blijven. Ik voel hier niets voor. Ik kan mijn werk aan, naar veler mening zelfs zeer goed, en ik wens niet tot een of andere kneus te worden gestigmatiseerd. Als de poging tot overreden maar blijft doorgaan, denk ik de sfeer met een grappig bedoelde opmerking te kunnen ontspannen. Ik zeg: `Ik krijg het idee dat jullie bang zijn dat ik op de conferentie op hol zal slaan.’ Dit wordt gretig beaamd. Ik vervolg: `Nou, daar is geen reden voor. Het enige waarvoor jullie bang moeten zijn is dat ik jullie alle vier hier door de ruiten sla.’ Een misplaatst grapje wellicht, want twee van de vier collega’s vliegen de kamer uit. De twee anderen, duidelijk de sterkere persoonlijkheden van het gezelschap, kunnen de grap ook maar matig waarderen. Ten slotte blijft er één collega, die ik hoog acht, bij mij achter, en hij weet mij over te halen: `Gerrit, doe mij een plezier, blijf thuis, want er zijn mensen die het stinkend benauwd van je krijgen.’

Dit incident en een aantal andere doen me realiseren dat er vreemde situaties kunnen ontstaan als ik als `normaal’ persoon iets stel dat door de aangesprokenen als uiting van een gestoorde wordt aangemerkt.

Een ander voorbeeld: mijn vrouw en onze jongste dochter zijn in een discussie verwikkeld. Ik merk dat de zaak hoog op begint te lopen. Ik besluit om tussenbeide te komen en bedenk een inbreng die in dat stadium ongetwijfeld een evangeliserend karakter heeft. Ik breng deze `sussende’ opmerking in het midden. De reactie is verbazingwekkend. Onze dochter dreigt me aan te vliegen en zegt: `Denk je dat je God bent?’ Hierop reageer ik met wat als grapje is bedoeld: `Nu je het zegt…’

De uitwerking is fenomenaal. Zelfs mijn vrouw denkt dat ik het meen. De rust keert pas terug als ik mij naar mijn werktafel terugtrek, mij heilig voornemend om voortaan alle beoogde interventies voor me te houden.

Conclusie van dit alles: als men eenmaal gestoord is geweest, betekent dit nog niet dat normaal gedrag in een later stadium door de gehele omgeving ook als normaal wordt onderkend. Eenmaal een gek, altijd een gek.

Wat het werk betreft heb ik mij na mijn terugkeer in augustus 1981 beter tegen onderbelasting gewapend. Als eerstverantwoordelijke voor het sociaal beleid ben ik van mening dat ik mij met heel veel buiten de eigen portefeuille kan bemoeien. Het gaat immers altijd om mensen, hoewel enkelen van mijn collega’s, die beter zouden moeten weten, zich dat nauwelijks schijnen te realiseren. Ik heb al gauw door dat mijn nuisancevalue door dit gedrag aanzienlijk stijgt.

Mijn stemming wordt uiteraard niet alleen door een intern mechanisme bepaald, maar ook door het omgevingsgebeuren. Een van de belangrijkste componenten hiervan is de Raad van Bestuur. Het werk hierin maakt mij niet vrolijker. Soms lijkt het erop dat men elkaar het liefst de strot zou willen afbijten, en ik moet bekennen dat ik hier graag aan zou willen meedoen. De solidariteit die ik ondervind, ook van een enkele RvB-collega, houdt me echter op de been.

Halverwege 1982 houdt de collega met wie ik het beste kan opschieten het voor gezien en vertrekt. Als zijn opvolger is benoemd, trekken we ons in oktober 1982 weer voor enkele dagen in de bossen terug, onder andere om de nieuwe portefeuilleverdeling vast te stellen. Tot mijn verbazing komt er een zodanige verdeling uit dat ik er twee flinke brokken bij krijg. Ik meen uit dit resultaat te mogen opmaken dat men mij dit keer niet meer als de dorpsgek ziet, en bovendien is wat meer werk welkom; ik heb tijd genoeg.

De eerste helft van 1983 draai ik goed; de twee nieuwe groepen geven gevarieerd werk, en de nieuwe medewerkers met wie ik te maken heb zijn competent en plezierig. Niets duidt erop dat er een grote verandering op komst is. Maar dan gebeuren er op een dag dingen die ertoe leiden dat ik die dag voor het laatst bij TNO zal zijn. Het is dan 21 juni 1983.

Die dag valt in een periode dat ik hypomanisch ben, en dat betekent dat ik mij meer dan prima voel en het werk gesmeerd loopt. Wel staat voor de late namiddag een periodiek bezoek aan dr Mojet op het programma.

Ik arriveer tegen negen uur op mijn werk en ga meteen door naar de vergadering van de Raad van Bestuur. Tot elf uur behandelen we een groot aantal kleinere zaken. Een en ander verloopt in alle rust. Om elf uur arriveren er drie vertegenwoordigers van een computerfirma, om ons voor te lichten over de automatisering van het secretariaat. Na vijf minuten is mij al duidelijk dat we te maken hebben met een ordinair agressief manipulatieverhaal. De woordvoerder praat met een bulderstem en in een waanzinnig hoog tempo. Dit alles om zijn gehoor groggy te maken. Dat lukt ook snel bij mijn collega’s, die er versuft bij zitten. De banaliteit van dit soort verkooptechnieken bewijst hoe stompzinnig de uitvoerders van deze praktijken zijn; zij hebben van hun Amerikaanse leermeesters gehoord dat het altijd lukt, en dat is nu juist niet waar. Zij maken dezelfde fout als het knapste jongetje in de klas, namelijk door geen rekening te houden met de mogelijkheid dat er een nog knapper jongetje of meisje in de klas zit, dat toevallig niets zegt.

Waarschijnlijk vanwege mijn staatssecretariaat, waarin ik iedere dag te maken had met figuren die mooie verhalen ophingen maar wel geld, en soms erg veel geld van je probeerden los te krijgen, sta ik meteen op scherp. Dia’s die maximaal vijf seconden worden vertoond en waarvan de tekst en vooral de bedragen afwijken van wat er wordt gezegd. Mijn latente agressiviteit wakkert aan. In de rest van het betoog van een uur plaats ik op gezette tijden een interruptie om te laten merken dat ik nog wél bij de les ben, en de spreker door heb. Het effect hiervan weet ik te versterken door een van zijn handlangers, die naast mij zit, af en toe iets cynisch toe te voegen. Een en ander heeft gevolg: de spreker verliest zijn quasi zekerheid en wordt uitermate zenuwachtig. Na afloop hou ik hem aan de praat, tot dat hij zich losscheurt en regelrecht op het toilet afstormt. Zelf ben ik door dit duel ook behoorlijk opgewonden geraakt.

We hebben een korte lunch, waarbij we nog wat napraten over de zojuist afgelopen happening. De voorzitter verdwijnt al na een klein half uur. Aansluitend aan de lunch gaan we nog even door met de vergadering. Om half drie is deze afgelopen, en bespreek ik nog enkele zaken met de algemeen secretaris, een van de prettiger figuren in de organisatie. Mijn hypomanische toestand komt ook ter sprake, en ik vraag hem welke uiterlijke kenmerken hij waarneemt. Hij somt er enkele op: grimassen, trommelen met vingers, verhoogde motorische activiteit, verbaal zeer agressief, het uitdelen van dreunen op schouders als teken van blijdschap, alles in anekdotische vorm vertellen, het opgeven van raadsels passend binnen een discussie, en het werken met trucjes. Voorwaar een hele reeks.

Tegen drieën verschijnt opeens de bedrijfsarts met de mededeling dat mijn vrouw beneden staat te wachten. Ik begrijp er niets van: mijn vrouw beneden en dat om drie uur? Dan voegt hij eraan toe dat zij mij komt ophalen. Dat begrijp ik al helemaal niet; om vier uur ga ik met de chauffeur naar dr Mojet, en vandaar naar huis. Ik ga naar beneden, maar daar is mijn vrouw niet meer; zij is terug naar huis. Het raadsel wordt alleen maar groter. Dan wil ik het fijne van een en ander toch wel weten, en daar kom ik achter met behulp van de algemeen secretaris, mijn secretaresse en mijn chauffeur. De voorzitter heeft ’s ochtends tijdens de vergadering de boodschap doorgegeven dat de chauffeur de hele dag standby moet blijven, omdat `Klein waarschijnlijk in de loop van de dag zal worden afgevoerd’.

Tijdens de lunch wordt dr Mojet door de bedrijfsarts gebeld met de mededeling dat ik in alle staten verkeer. Er wordt een zodanig beeld opgehangen dat het dr Mojet het beste voorkomt dat mijn vrouw mij ophaalt en de huisarts, met wie hij contact zal opnemen, mij verder behandelt. De bedrijfsarts belt mijn vrouw met de mededeling dat ze mij direct moet komen ophalen, omdat er geen houden aan is. Mijn vrouw zegt: `Ik begrijp hier niets van, hij is vanmorgen rustig vertrokken.’ `Ja,’ antwoordt de onnozele man, `gisteren heb ik hem nog gesproken en toen was hij heel normaal.’ Mijn vrouw: `Hebt u hem nu dan niet gezien?’ waarop hij antwoordt: `Nee, maar ik moet nu ophangen, want ik moet naar de voorzitter.’

Als mijn vrouw een klein uur later bij TNO arriveert, blijkt haar alras dat er van enig buitengewoon gedrag van mij geen sprake is en dat mijn vervoer is geregeld. Zij vertrekt weer.

Het is duidelijk wat de bedoeling was. De voorzitter heeft met medewerking van een aardige maar tevens slappe bedrijfsarts een opzetje gemaakt om mij over mijn toeren te jagen, zodat ik zou moeten worden `afgevoerd’; het bewijs van mijn disfunctioneren en reden om mij bij TNO te laten verdwijnen. Het plannetje ging mis omdat de bedrijfsarts, op aanwijzing van dr Mojet, mijn vrouw erbij betrok, waardoor de opzet in één klap duidelijk werd. De schoft: niets collegiaal behandelen; alles achterbaks, met streken.

Als mij dit alles bekend is, is het tijd om naar dr Mojet te gaan. We staan vlak voor de vakantie, en dat is volgens hem uitstekend geschikt om tamelijk langdurig rust te nemen. Ik ben door het voorgevallene behoorlijk aangeslagen en vertoon inderdaad enkele vreemde gedragingen; het is die vent bijna gelukt om mij over de rooie te jagen. Bijna, maar dank zij een stel nette mensen net niet.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Over de Rooie — Als een Straaljager


Gerrit (Ger) Klein (Den Helder, 4 september 1925 – Rotterdam, 9 december 1998), was een Nederlands politicus en natuurkundige. Namens de Partij van de Arbeid was hij staatssecretaris in het kabinet-Den Uyl en lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het bleek het begin te zijn van manische depressiviteit, dat de rest van zijn leven zou beheersen. “Op een gegeven moment zie je jezelf in je nakie door de vrieskou rondjes om het huis rennen. Daar ging de man die een getalenteerd fysicus en staatssecretaris van onderwijs was: geschift.” De ziekte zou zijn voortgekomen uit frustraties over de gang van zaken rond het debat over Aantjes, waarin Klein niet het woord mocht voeren, en een moeizame relatie met zijn partij.

Op 5 februari 1980 verliet Klein de politiek om toe te treden tot de Raad van Bestuur van TNO, waar hij directeur sociale zaken werd. Dit zou hij tot 1985 blijven doen. Vanaf het eind van de jaren zeventig leed Klein aan manische depressiviteit. Hierover publiceerde hij het boek Over de rooie. Het verhaal van een manisch-depressieve sociaal-democraat. Klein overleed in 1998. Het was mij een eer om met Ger Klein te werken, als zijn redacteur, en aan mij de eer om van de reusachtige stapel manuscripten, in dagelijks overleg met Ger, een samenhangend boek te maken. 

Drie manuscripten kreeg ik op mijn bureau, op het eerste gezicht onsamenhangend materiaal, elkaar overlappend, en niet chronologisch.
“Maak er maar een mooi boek van,” zei de uitgever tegen mij.
En zo kreeg ik contact met Ger Klein, want we moesten veel met elkaar gaan overleggen. De chronologie moest worden bepaald, onduidelijkheden moesten worden opgelost, en er moesten vooral veel darlings worden gekild.

Er was een reden om mij met de redactie van het boek te belasten. De ziekte manisch-depressiviteit is mij niet vreemd. In 1973 en in 1976 ben ik een jaar lang zeer depressief geweest en in die periode werd de ziekte manisch-depressiviteit bij mij gediagnosticeerd. Om duidelijk te zijn: er zijn twee vormen van deze stemmingsstoornis. De patiënt die bipolair I is kent naast de depressieve fase en de hypomane fase ook de manische fase, en bij de patiënt die bipolair II is komt de manische fase niet voor.
Ger was bipolair I, ik ben bipolair II. Van 1973 tot 1985 en van 2004 tot oktober 2005 heb ik lithium gebruikt, een medicijn dat de stemmingswisselingen onder controle moet houden.(Sindsdien gebruik ik geen enkele medicatie meer.) Ik ken de langdurige, diepe depressies en ik ken ook de hypomane episoden, waarin je gigantisch veel kunt produceren en je energie tomeloos lijkt te zijn. “Dan ga je als een straaljager,” placht Ger te zeggen.
Alleen de “gekke” (manische) episode ken ik niet uit eigen ervaring, maar ik kan mij er wel het een en ander bij voorstellen. Daarnaast ben ik jaren actief geweest in de politiek, dus ook in dat opzicht waren er veel raakvlakken.

Ger’s manuscripten maakten veel bij mij los. Wat hij schreef was heel herkenbaar. We hebben vele uren telefonisch contact met elkaar gehad, en in die gesprekken ging het niet alleen over het boek.
Helaas is het boek niet herdrukt en is er slechts af en toe een tweedehands exemplaar bij De Slegte verkrijgbaar. Daarom heb ik besloten om in gedeelten een kleine bloemlezing uit Over de rooie te publiceren op mijn blog en die zonodig te voorzien van kanttekeningen.

24 november – 25 december 1978 

De volgende weken vertonen een gedrag en een daaraan gekoppeld denken dat verre van normaal is. In feite is er een voortzetting van hetgeen de voorgaande weken plaatsvond. Nog steeds is er een scheiding tussen enerzijds het `in de wereld staan’ en anderzijds het verhitte dan wel op hol geslagen denken. De verdeling in de tijd tussen beide toestanden is ook vrijwel hetzelfde, zo’n dertig tegen zeventig procent. Op geen enkele wijze probeer ik mij nog actief op de werkelijkheid te richten. Integendeel, zodra ik de kans krijg trek ik mij terug. Het grote denken zal immers resultaten opleveren waarvan de wereld zal opkijken. Het enige opvallende verschil met de voorgaande periode is dat de frequentie van de denkflitsen lager is. Dit verbetert de mogelijkheid van correcte registratie. Het compleet chaotische karakter blijft echter: het ene onderwerp na het andere passeert de revue.

Mijn gemoedstoestand is in deze periode extreem gespannen. Dat wordt mede veroorzaakt door de toestanden waarin mijn vrouw en onze zoon zich bevinden. De pijnen die mijn vrouw weken lang moet doorstaan zijn verschrikkelijk, gezien haar reacties. In de ruim dertig jaar van ons huwelijk is haar verstgaande reactie op verscheidene zeer hevige pijnen – waaronder een darmwandbreuk – er een geweest van knarsetanden en zuchten. Nu kreunt zij als een gemarteld dier. De pijnzone breidt zich van de rug uit naar de nek en een been. Vooral het laatste is onverdraaglijk. Met mijn inmiddels verworven universele kennis stel ik dat een en ander zuiver psychisch is. Aan haar ogen zie ik dat zij mij de hersens wil inslaan.

Na weken van marteling stemt zij er ten slotte in toe dat de dokter komt. Jaap Visser, onze doortastende huisarts, verwijst haar onmiddellijk naar Dijkzigt, het Academisch Ziekenhuis in Rotterdam. Zij kan daar enige dagen later terecht. Na een uitvoerig onderzoek luidt de conclusie: `Er is niets verkeerd’. Als zij daarna kreupel thuiskomt, heeft zij werkelijk alle moed verloren en kruipt zij weg in het huis. Door de intensiteit van dit alles wordt mijn werkelijkheidsbesef vele malen groter dan de laatste weken het geval is geweest, en ben ik zelfs in staat om tot actie over te gaan. Ik bel een medicus die ik tijdens mijn staatssecretariaat heb leren kennen, en vraag hem wie de beste specialist voor deze kwaal is. Hij geeft prompt een naam: weer in Dijkzigt. Ook bij deze specialist kan mijn vrouw snel terecht. Hij blijkt zijn kamer naast die van de vorige behandelende arts te hebben. Gebruikmakend van de resultaten van het vorig onderzoek en enige aanvullingen, komt hij tot de uitspraak: `Mijn collega heeft inderdaad gelijk dat er niets verkeerd is. Hij is alleen vergeten erbij te zeggen dat het vanzelf overgaat, zij het dat dit geruime tijd zal duren.’ Ondanks de voortdurende pijn komt mijn vrouw als een ander mens thuis: zij heeft weer hoop. In de daaropvolgende weken begint de pijn inderdaad heel langzaam af te nemen. En ik denk vanuit mijn hovaardij: `Dus toch psychisch.’

Ook in deze periode is onze zoon nog steeds behoorlijk van de kaart. De mate waarin varieert van week tot week. Na dit een tijdje te hebben aangezien, besluiten wij dat hij bij ons op verhaal moet komen, of beter gezegd, ik dram dit door, want ik meen hem te kunnen helpen. De volstrekte machteloosheid van mijn vrouw maakt dat het nog gebeurt ook.

Met pseudo psychologische praterij probeer ik hem de goede kant op te krijgen. Het effect is tegengesteld: hij gaat zich hoe langer hoe vreemder gedragen. Als ik dat constateer, heb ik het benul om mijn hoogdravend geleuter te staken. Dit heeft de eerste dagen een positief effect, maar dan wordt het weer aanzienlijk slechter. Jaap Visser, die mijn vrouw regelmatig bezoekt, stelt vast dat wij er zonder deskundige hulp niet uitkomen, en hij verwijst onze zoon naar psychiater dr Mojet in Leiden. Ik vind het merkwaardig dat Visser de meeste tijd aan mij besteedt. Hij beschrijft, zonder het woord te gebruiken en zonder dat ik ook maar enig verband met mijn toestand leg, de manisch-depressiviteit aan de hand van een voorbeeld: een straaljager scheert vlak over de grond, plotseling keert de piloot het vliegtuig ondersteboven en scheurt het verticaal omhoog, om enige tijd op maximale hoogte te verblijven en dan, door brandstofgebrek, als een steen omlaag te vallen, de grond in. Ik vind het een prachtig beeld, denkend dat het op onze zoon slaat. Pas enkele maanden later realiseer ik mij dat Jaap Visser toen bezig was om mij op mijn eigen ziekteverloop voor te bereiden.

Mijn vrouw een complete invalide, onze zoon psychisch van de kaart, dat alles maakt dat ik minder kans krijg om mij aan de werkelijkheid te onttrekken. Toch lukt mij dat nog steeds voor ongeveer de helft van de tijd. Ik denk in deze fase als een generaal, die het spijtig vindt voor zijn gevallen soldaten, maar de strijd in naam van het grote doel in alle hevigheid voortzet. Een krankzinnig hiërarchisch denken begint zich van mij meester te maken: de wereld wacht op de resultaten van mijn denkwerk, geen minuut mag verloren gaan, voorwaarts!

Zoals gezegd is mijn denken, zeker in de eerste helft van deze periode, even chaotisch als in de voorgaande weken. Het aantal onderwerpen is onbeperkt. Het gehele universum wordt in enkele weken geregeld. De aanpak is weer hetzelfde: voor `kleine’ problemen wordt de oplossing terstond geleverd en het probleem komt niet meer terug. Maar er zijn ook zaken die bij herhaling terugkomen, waarschijnlijk omdat ik, zelfs in mijn nu toch duidelijk aanwezige hoogmoed, niet durf te beweren hiervoor een volledige oplossing te hebben gevonden.

Enkele van deze onderwerpen:
Nog steeds probeer ik meer zicht te krijgen op de rol die het zoeken naar zekerheid bij de mens speelt. Volgt het optimaliseren hiervan wel het variatieprincipe van Maupertuis? Hoe bewijs ik dat? Uit welke componenten bestaat de existentiële zekerheid die de mens nodig heeft? Hoe beïnvloedt mijn zekerheid of onzekerheid die van de ander? Allemaal vragen waarop ik geen bevredigend antwoord kan geven. Ik weet ook niet hoe ik het verder moet aanpakken, hetgeen voor de nodige extra opwinding zorgt.

Hetzelfde geldt voor het probleem van de wetmatigheid van het menselijk gedrag. Hoe is de interactie denken handelen? Hoe speelt de wisselwerking tussen personen zich af? Welke rol spelen de normen en waarden in dit geheel? Zijn de drie grootheden die in de karakterologie van Heymans en Wiersma voorkomen voldoende om de dynamiek van het menselijk gedrag in essentie te verklaren?

Ook de tegenstelling tussen het humane denken en het machtsdenken komt bij herhaling voor. Dit wordt gecombineerd met de vaststelling dat er twee basisvormen van denken zijn: het modeldenken, dit is het denken in statische structuren, en het procesdenken, dit is het denken in dynamische processen. Ik hou mij bezig met de vraag tot wat voor vormen
van leiderschap en participatie in menings en besluitvormende organen de verschillende combinaties leiden. Mijn conclusies komen mij bijzonder interessant voor: uit een en ander blijkt zonneklaar dat ik de ideale combinatie bezit voor het democratisch leiderschap: democratisch, inderdaad, maar wél de leider.

Ook de godsdienst is een steeds terugkerend onderwerp. Hiermee is het echter anders gesteld dan bij de nog onopgeloste problemen. Jaren geleden heb ik voor mijzelf een consistent beeld van de religie ontwikkeld. Hoewel ik mij zeer goed kan inleven in de denkwereld van de gelovige mens, althans voor zover het het christelijke en joodse geloof betreft, ben ik volgens alle criteria een overtuigd atheïst. Wat reeds onder normale omstandigheden, maar zeker in de aangeslagen toestand, mijn agressie opwekt, is de smerige exploitatie van de behoefte van mensen aan een zekerheid brengend geloof. Door de eeuwen heen is men er niet voor teruggedeinsd valse hypothesen te introduceren, die moeten maken dat het geheel schijnbaar sluitend is, zodat de kudde de verknipte en malafide leiders blijft volgen. Ook in mijn aangeslagen toestand is het, ondanks mijn arrogantie, iets te veel gevraagd om terstond een oplossing voor de roomse kerk te vinden. In plaats daarvan formuleer ik stellingen, aforismen (of wat daar voor door mag gaan) en speldeprikken.

Enkele hiervan:
– God, het meest misbruikte woord in onze beschaving;
– U definieert uw God en ik zal zeggen of ik in hem geloof;
– Lees het verhaal van de sprokkelaar (Numeri 15:32) en men weet wat men zich bij God en Mozes moet voorstellen;
– Lees het verhaal van de Samaritaanse Vrouw (Johannes 4:1) en men weet wat voor mens Jezus was;
– Hoe krijgt men een goddelijke mens? Men neme een normaal persoon en plaatst die op een voetstuk van een meter. Vervolgens verhoogt men dit voetstuk met drie procent per jaar. Dit houdt men tweeduizend jaar vol. Het voetstuk reikt dan precies tot de grens van het waargenomen universum, waar alleen de goden kunnen vertoeven.
– Het volgende experiment. We krimpen het universum in tot de afmetingen van de aarde. Alles binnen dat universum wordt in dezelfde mate verkleind. Hoe klein is de mens dan? Men legge de wereldbevolking van zo’n vijf miljard aaneengesloten op een rij. De totale lengte van deze rij van gereduceerde mensjes bedraagt dan drie tienden van een miljardste millimeter. En dan maar denken dat alles in het universum om die mens begonnen is en dat die weet wat de Schepping heeft voorgehad en dat een eventuele Schepper zich permanent met hem bezighoudt en terstond oproepbaar is.
– Wie respect heeft voor Jezus, ziet hem als een uitzonderlijk mens. Niet minder, maar ook niet meer. Wie dat laatste wel doet, vervalt in absurditeiten en belachelijkheden, tot schade van Jezus’ betekenis voor onze tijd.
– `Er zij licht en er was licht’ is een fysieke onmogelijkheid. Het moet luiden: `Er zij licht en er kwam licht”.
– Een ander onderwerp waarmee ik mij bezighoud is de externe sturing die de mens bij zijn handelen ondergaat. Wat stuurt hem van buitenaf? Om het eenvoudig te houden: hoe staat het hiermee bij de dieren? Neem de hondenslager: een hondenslager is geen collega van een paardenslager, maar de knaap die vroeger tijdens de kerkdienst met een knuppel voor de kerk stond om de toestromende honden te verjagen. De vraag hierbij is: wat dreef die honden om uitgerekend tijdens de dienst in groten getale te komen opdagen? Dit brengt mij ertoe onze eigen katten, twaalf in getal, te bestuderen. Ik maak sociogrammen van hun onderlinge pikorde en aanhankelijkheid ten opzichte van mijn vrouw, mijzelf en de hond. Ik meen een wetmatigheid te ontdekken, en als ik op basis hiervan voorspel dat Che, onze mooie rode kater, aan het keukenraam zal verschijnen en dit een halve minuut later ook nog gebeurt, staat het voor mij vast dat ik weer een essentiële bijdrage aan de gedragswetenschappen heb geleverd, gebaseerd op de `dubbelverhouding’ uit de projectieve meetkunde.
– Ook in deze periode wordt weer intensief aan het verleden teruggedacht. Vooral het oorlogsleed houdt me weer bezig. Ik maak me geweldig kwaad op al degenen die dag in dag uit praten over het lijden van één mens, tweeduizend jaar geleden, en met geen woord meer reppen over zo’n veertig à vijftig miljoen mensen die in hun eigen tijd, na gemiddeld aanzienlijk meer lijden, op beestachtige wijze zijn omgekomen. Zoals meestal visualiseer ik dit. Neem evenveel kruisen als er oorlogsslachtoffers zijn geweest, plaats die op een onderlinge afstand van vijf meter. De totale lengte van deze kruisenrij is dan voldoende om de aarde bij de evenaar vijfmaal te omcirkelen. Hoeveel procent van die slachtoffers waren kindertjes? Twintig toch zeker, en dat betekent tenminste één kruisenrij met kinderen die de aarde omspant. Is dat niet een wat grootschaliger leed dan Golgotha?

Zo gaat het wekenlang door: van de hak op de tak, steeds meer overtuigd van het eigen grote gelijk en het kunnen aandragen van oplossingen voor een veelheid van essentiële zaken. Kom ik terug in de werkelijkheid, dan blijft er van deze geestestoestand vooral een extreme gespannenheid over. Mijn werk in de Kamer kan ik tot aan het kerstreces zonder brokken voortzetten. Dat is niet zo moeilijk, want ik heb nauwelijks iets te doen. Dit leidt er dan ook weer toe dat ik mij voor het grote werk op mijn werkkamer terugtrek.

Op 13 december promoveert Klaas Klaassen aan de TH Delft. Klaassen was mijn eerste en tevens meest getalenteerde medewerker tijdens mijn hoogleraarschap in Delft. Toen ik in 1972 vertrok, had ik dan ook de benoemingscommissie geadviseerd om hem, ondanks zijn nog jonge leeftijd, tot mijn opvolger te benoemen. Daar zag het ook naar uit, totdat er allerlei gedonder in de eigen vakgroep ontstond. Zo wilde men onder andere dat hij zijn werk aan zijn dissertatie zou stopzetten. Een schoolvoorbeeld van het mediocre gebeuren binnen onze universiteiten. Klaassen ging hier niet op in, met als gevolg dat er eind 1978, dus zes jaar na mijn vertrek, nog steeds geen opvolger was benoemd.

Klaassens proefschrift heet The Reliability of Analogue Electronic Systems. Ik ben er erg blij mee. Destijds heb ik hem gevraagd een studie te maken van het bereiken van nauwkeurigheid met onnauwkeurige elementen, en nu is er dan een oerdegelijke dissertatie over deze en verwante problemen. Eind november komt Klaassen bij mij op bezoek om het boekwerk te overhandigen en tevens om het verzoek van de promotiecommissie door te geven of ik als gast van deze commissie als eerste wil opponeren.

Aldus geschiedt op 13 december. Tijdens mijn optreden heb ik mijzelf goed in de hand, en alles verloopt zoals het hoort. Tijdens de rest van de drie kwartier durende oppositie vraag ik mij af waarom het toch niet mogelijk is om de gehele tijd in een normale toestand te verkeren: `Ben ik een slapjanus of een egotripper, of ben ik gewoon een ziek mens met ups en downs?’ Ik stel vast dat ik de afgelopen weken keer op keer heb geprobeerd mij uit die trance-achtige toestand los te maken, maar dat dit alleen lukt als ik daartoe door de omgeving word gedwongen. Steeds meer raak ik ervan overtuigd dat er iets heel naars met mijn hersens aan de hand is, iets dat niet zomaar verdwijnt.

Bij de receptie na afloop van de promotie nodigen Klaassen en zijn vrouw mijn vrouw en mij uit voor een etentje in januari. Dat brengt mij nog dezelfde dag op een idee voor een tijdsplanning. Het wordt langzamerhand tijd dat mijn denken van de afgelopen weken wereldkundig wordt gemaakt. Zeker, er zijn nog enkele onopgeloste problemen, maar die los ik de komende weken wel op. Als ik dan de eerste versie van mijn verhaal begin januari aan Klaassen voorleg, en daarna aan een tweede persoon – ik weet nog niet wie – dan kan ik het resultaat eind januari in brede kring verspreiden.

Ik ga meteen aan de gang. Het duurt niet lang of ik ontdek dat met de informatiechaos die ik in de afgelopen maand heb gecreëerd niet te werken valt. Ik zal deze troep eerst drastisch moeten uitwieden, wil ik er wat aan hebben. Het duurt bijna een week voor ik enige orde op zaken heb gesteld. Ik raak al gauw volledig aangeslagen als ik niets meer van het opgeschrevene begrijp. Dat betekent, denk ik, dat geweldige denkresultaten verloren dreigen te gaan. Voorts gaat het zweven ook in deze week gedurende een groot deel van de tijd door.

Ik blijf aan de lopende band oplossingen genereren voor `grote problemen en uitvindingen’. Na een week is er toch een indrukwekkende hoeveelheid werk tot stand gekomen, waarvan de signaal/ruisverhouding zeer veel beter is dan die van de oorspronkelijke aantekeningen.

Wat ten slotte in deze periode nog nieuw is, is mijn vaste overtuiging dat alles maar dan ook alles een diepere betekenis heeft, een bewijs voor mijn beschouwingen. Op straat praat ik hierover met wildvreemde mensen, om na afloop van zo’n gesprek vast te stellen: a) dat de mens goed is; b) dat ook deze mens aan mijn wetmatigheden voldoet. Ik heb een belangrijk stuk werk verricht, dat blijkt wel. Het zijn de eerste duidelijke tekenen van mijn profetische zendingsdrift.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen