The Making of “Over de Rooie, relaas van een Manisch-Depressief Politicus”

De knak
(17 november 1978)
Het is drie uur ‘s nachts. Ik rij van Den Haag naar Oostvoorne, mijn woonplaats. Enkele uren geleden is het Aantjes debat in de Tweede Kamer geëindigd. Ik heb er als kamerlid veel mee te maken gehad en ben er volledig gefrustreerd uitgekomen, indien dat de juiste aanduiding is voor de gemoedstoestand van complete verlatenheid waarin ik mij bevind.

Dit alles overdenk ik terwijl ik door het vrijwel verlaten en daardoor spookachtige havengebied van Rotterdam rij. En dan gebeurt het. Ik rij de brug bij Spijkenisse op, en plotseling voel ik een geweldige dreun/knak in mijn voorhoofd rechts, alsof een heel zware schakelaar wordt overgehaald en mijn hoofd uit elkaar barst.

Ik schreeuw: `Godverdomme, dat ook nog, een hersenbloeding. Ik ga kapot.’ Ik stop de auto aan het eind van de brug en wacht op wat er gaat gebeuren. Er gebeurt niets, geen pijn, geen lichamelijke effecten, ik kan gewoon denken. Na zo’n tien minuten rij ik verder, heel langzaam, met schrik en angst. Angst, omdat zo’n verschrikkelijke dreun in je hoofd toch gevolgen moet hebben. En wat zijn die gevolgen dan wel?

Als ik zo’n half uur later thuis kom, is er nog steeds niets gebeurd en maakt mijn angst plaats voor nieuwsgierigheid. Wat kan het in vredesnaam zijn geweest? Er moet toch iets `mechanisch’ aan de hand zijn? Aan verdere beschouwingen kom ik niet toe, ik val binnen enkele seconden in slaap. Het is dan half vijf.

Zo begint het boek Over de rooie – relaas van een manisch-depressief politicus, van Ger Klein (Uitgeverij Balans, 1994, ISBN 90 5018 260 7).

Gerrit (Ger) Klein (Den Helder, 4 september 1925 – Rotterdam, 9 december 1998), was een Nederlands politicus en natuurkundige. Namens de Partij van de Arbeid was hij staatssecretaris in het kabinet-Den Uyl en lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het bleek het begin te zijn van manische depressiviteit, dat de rest van zijn leven zou beheersen. “Op een gegeven moment zie je jezelf in je nakie door de vrieskou rondjes om het huis rennen. Daar ging de man die een getalenteerd fysicus en staatssecretaris van onderwijs was: geschift.” De ziekte zou zijn voortgekomen uit frustraties over de gang van zaken rond het debat over Aantjes, waarin Klein niet het woord mocht voeren, en een moeizame relatie met zijn partij.

Op 5 februari 1980 verliet Klein de politiek om toe te treden tot de Raad van Bestuur van TNO, waar hij directeur sociale zaken werd. Dit zou hij tot 1985 blijven doen. Vanaf het eind van de jaren zeventig leed Klein aan manische depressiviteit. Hierover publiceerde hij het boek Over de rooie. Het verhaal van een manisch-depressieve sociaal-democraat. Klein overleed in 1998. Het was mij een eer om met Ger Klein te werken, als zijn redacteur, en aan mij de eer om van de reusachtige stapel manuscripten, in dagelijks overleg met Ger, een samenhangend boek te maken. 

Drie manuscripten kreeg ik op mijn bureau, op het eerste gezicht onsamenhangend materiaal, elkaar overlappend, en niet chronologisch.
“Maak er maar een mooi boek van,” zei de uitgever tegen mij.
En zo kreeg ik contact met Ger Klein, want we moesten veel met elkaar gaan overleggen. De chronologie moest worden bepaald, onduidelijkheden moesten worden opgelost, en er moesten vooral veel darlings worden gekild.

Er was een reden om mij met de redactie van het boek te belasten. De ziekte manisch-depressiviteit is mij niet vreemd. In 1973 en in 1976 ben ik een jaar lang zeer depressief geweest en in die periode werd de ziekte manisch-depressiviteit bij mij gediagnosticeerd. Om duidelijk te zijn: er zijn twee vormen van deze stemmingsstoornis. De patiënt die bipolair I is kent naast de depressieve fase en de hypomane fase ook de manische fase, en bij de patiënt die bipolair II is komt de manische fase niet voor.
Ger was bipolair I, ik ben bipolair II. Van 1973 tot 1985 en van 2004 tot oktober 2005 heb ik lithium gebruikt, een medicijn dat de stemmingswisselingen onder controle moet houden.(Sindsdien gebruik ik geen enkele medicatie meer.) Ik ken de langdurige, diepe depressies en ik ken ook de hypomane episoden, waarin je gigantisch veel kunt produceren en je energie tomeloos lijkt te zijn. “Dan ga je als een straaljager,” placht Ger te zeggen.
Alleen de “gekke” (manische) episode ken ik niet uit eigen ervaring, maar ik kan mij er wel het een en ander bij voorstellen. Daarnaast ben ik jaren actief geweest in de politiek, dus ook in dat opzicht waren er veel raakvlakken.

Ger’s manuscripten maakten veel bij mij los. Wat hij schreef was heel herkenbaar. We hebben vele uren telefonisch contact met elkaar gehad, en in die gesprekken ging het niet alleen over het boek.
Helaas is het boek niet herdrukt en is er slechts af en toe een tweedehands exemplaar bij De Slegte verkrijgbaar. Daarom heb ik besloten om in gedeelten een kleine bloemlezing uit Over de rooie te publiceren op mijn blog en die zonodig te voorzien van kanttekeningen.

Aan mijn vrouw, die het volhield.
Oostvoorne, voorjaar 1994.

Inleiding
Eind 1978 werd ik, min of meer van de ene dag op de andere, getroffen door de geestesziekte manisch-depressiviteit. Het bleek het begin te zijn van een vele jaren durend ziekte en genezingsproces. Een proces met een, vooral in de manische fasen, zeer grillig en heftig verloop. Nu functioneerden mijn hersenen al die tijd zodanig dat ik weliswaar de vreemdste gedachten ontwikkelde en hiernaar handelde, maar dat ik die toch correct, zonder vervorming, waarnam.

Hierbij kwam dat ik – waarschijnlijk door mijn achtergrond als fysicus/elektronicus (`meten is weten’) – vrijwel vanaf het eerste ogenblik dat deze onbegrijpelijke gedachten en handelingen zich voordeden, tot een vrij gedetailleerde schriftelijke vastlegging besloot. Dit had tot gevolg dat niet alleen van mijn handelen, maar ook van mijn denken gedurende enkele jaren, en in het bijzonder tijdens de manische fasen, een vrij nauwkeurige registratie, een logboek, tot stand kwam.

Toen ik na enkele jaren voldoende was hersteld, had ik er behoefte aan om kennis te nemen van hetgeen er over de ziekte bekend was. Het bleek mij al snel dat een aanzienlijk deel van de voor de leek toegankelijke literatuur uit rapportage van (ex )patiënten bestaat. Wat mij hierbij opviel was dat in de meeste gevallen weliswaar een zeer indringend beeld werd geschetst van de lijdensweg die men was gegaan, maar dat het hierbij behorende denken slechts globaal, niet als continu, dynamisch proces werd beschreven. Met name bij de extreme crisissituaties die gepaard gaan met grote veranderingen in korte tijd, mist men daardoor veel relevante informatie.

Een en ander laat zich wel verklaren: om aan de bedoelde gedetailleerdheid te kunnen voldoen, moet men over een fenomenaal en goed functionerend geheugen dan wel een uitgebreide registratie beschikken. De eerste mogelijkheid is wellicht voor sommigen weggelegd, maar hierbij blijft dan nog altijd het gevaar van een bijkleuren van het verleden bestaan. Dit euvel heeft de tweede mogelijkheid niet, althans wanneer de registratie zonder of met kleine vertraging en zonder vervorming geschiedt. In de meeste gevallen zal een patiënt, zo hij/zij al aan deze mogelijkheid denkt, echter niet in staat zijn om zo’n registratie bij te houden.
Het bezit van een logboek combinerend met het gesignaleerde manco van veel van de betreffende literatuur, bracht mij ertoe een poging te ondernemen om over mijn ziekteproces in boekvorm te rapporteren. Dit resulteerde in 1989 in een manuscript dat ik als voorlopige titel meegaf En de klok liep achteruit, hetgeen refereert aan een van mijn vele bedrieglijke waarnemingen.

Enkele vrienden aan wie ik het manuscript ter lezing gaf, hadden een gunstig oordeel maar ook een bedenking: het boek behandelde uitsluitend het verloop van de ziekte en ging niet in op vragen als: in hoeverre was er sprake van een predispositie? Hoe luidde de voorgeschiedenis? Hierover nadenkend kwam ik tot de conclusie dat een van de belangrijkste oorzaken van mijn ziekte was gelegen in mijn relatie met de politiek of, preciezer, met mijn politieke partij, de PvdA. Dit laat onverlet dat andere factoren, met name bepaalde karakterologische eigenschappen, voor een zekere aangeboren geschiktheid kunnen hebben gezorgd, maar voor de directe aanleiding tot het ziekteproces was de genoemde relatie letterlijk `doorslaggevend’. Ter beantwoording van bovenstaande vragen leek het mij daarom gewenst de beschrijving van het ziekteproces te laten voorafgaan door een zodanig verslag van mijn levensloop, dat hieruit zowel een inzicht in mijn `normale’ karakter als in mijn relatie tot de PvdA kan worden verkregen. Het eerste deel van het boek geeft het resultaat hiervan weer. Vanwege de grote invloed die de eerste acht à tien levensjaren op de karaktervorming hebben, worden deze jaren tamelijk uitvoerig beschreven.

In de rest van het eerste deel wordt mijn levensloop tot aan het begin van het ziekteproces summier beschreven, waarbij wel speciale aandacht wordt besteed aan de karakterologische eigenschappen die relevant zijn voor het verloop van het ziekteproces, alsmede aan mijn relatie met de vooroorlogse SDAP en de latere PvdA.

In het tweede deel, En de klok liep achteruit, wordt dan een beschrijving gegeven van het ziekteproces, en tevens van enkele ervaringen die ik had bij mijn pogingen tot een maatschappelijke rentree.

Met deze opzet hoop ik zowel mijn ambivalente houding tegenover de PvdA te verklaren, alsook het inzicht van de lezer in althans één type geestesziekte te vergroten dan wel te bevestigen, en daarmee te bereiken dat de kans op onbegrip kleiner wordt.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Bipolariteit

Inleiding

Omdat de bipolaire stemmingsstoornissen divers van aard zijn en de Engelse term “bipolar disorder”  luidt, maak ik in deze serie liever geen gebruik van de term “manisch-depressief”. Iemand die bipolair II is kan bijvoorbeeld wel depressief en wel hypomaan worden, maar niet manisch. Zou hij of zij wel manisch kunnen worden, dan luidt de diagnose bipolair I en niet bipolair II.
In 1973 en in 1976 ben ik een jaar lang zeer depressief geweest en in die periode werd de ziekte “manisch-depressiviteit” bij mij gediagnosticeerd. Er zijn dus twee vormen van deze stemmingsstoornis. De patiënt die bipolair I is kent naast de depressieve fase en de hypomane fase ook de manische fase, en bij de patiënt die bipolair II is komt de manische fase niet voor. 

Ik ben bipolair II. Van 1973 tot 1985 en van 2004 tot oktober 2005 heb ik lithium gebruikt, een medicijn dat de stemmingswisselingen onder controle moet houden.(Sindsdien gebruik ik geen enkele medicatie meer.) Ik ken de langdurige, diepe depressies en ik ken ook de hypomane episoden, waarin je gigantisch veel kunt produceren en je energie tomeloos lijkt te zijn. “Dan ga je als een straaljager,” placht Ger Klein te zeggen.
Alleen de “gekke” (manische) episode ken ik niet uit eigen ervaring, maar ik kan mij er wel het een en ander bij voorstellen.

Nu ben ik geen typisch voorbeeld van iemand die bipolair II is. Dat komt omdat er bij mij – in meer of mindere mate – nog sprake is van een aantal stoornissen, zoals het zogenaamde “geen bodem syndroom” (zie het infoblok rechts), het posttraumatisch stress syndroom en enkele verschijnselen van het borderline syndroom (maar niet voldoende om mij als “borderliner” te kunnen diagnosticeren.) Ik zal mij echter in deze serie beperken tot de storing bipolariteit, alhoewel ik er wel bij moet vermelden dat het posttraumatisch stress syndroom voor een deel een regelrecht gevolg is van de gevaarlijke situaties die ik in mijn hypomane episoden opzocht. Niet iedereen zal als adolescent een vliegtuig hebben genomen naar Israël om er te vechten tegen de vijanden van dat land, op de bonnefooi naar Vietnam om er als freelance fotograaf oorlogshandelingen vast te leggen, of naar Noord-Ierland of Zuid-Afrika om daar actief deel te nemen aan het verzet. Een in die tijd voortdurend aanwezige doodswens verhinderde bovendien enig voorzichtig handelen in het kader van het levensbehoud. Niet iedereen zal in streng islamitische landen hebben rondgelopen met een davidsster op de arm getatoueerd.

Ik heb in mijn leven heel wat psychiaters gezien. Slechts één van hen, mijn “zeilmaatje”, een man bij wie ik in de jaren zeventig negen jaar patiënt ben geweest en met wie ik nog steeds bevriend ben, was in staat om mij te helpen. Alle psychiaters daarvoor en alle psychiaters daarna konden bij mij de toets van zorgvuldigheid, vakkundigheid en integriteit niet doorstaan, waarschijnlijk ook omdat ik mij door middel van opleidingen en werkervaring zelf had bekwaamd in het vak van psychotherapeut. Daarnaast ben ik sowieso een moeilijke patiënt, of het nu om psychische of somatische zorg gaat. Ik laat mij zo moeilijk sturen.

In deze serie wil ik in een aantal aspecten aan bod laten komen:

-de verschillende vormen van de bipolaire stoornis;
-de behandelingsmethoden;
-het leven met een bipolaire stoornis;
-het leven met iemand met een bipolaire stoornis;
-de bipolaire stoornis en creativiteit.

1. Wat is er met me aan de hand?

Deze serie gaat over de bipolaire stoornis. Een stoornis waar naar schatting één tot twee procent van de Nederlanders aan lijdt. Een stoornis waarbij je afwisselend heel somber en heel vrolijk kan zijn. Zo somber dat het leven totaal zinloos lijkt en zo vrolijk dat je de hele wereld aankan. Het is een stoornis die je leven sterk kan beïnvloeden, maar als je eenmaal weet dat je deze stoornis hebt, is het gelukkig goed mogelijk om er zelf enige controle over te krijgen. Daarvoor is het wel noodzakelijk dat je het een en ander van de stoornis af weet.

Wat is er met me aan de hand? 

Typerend beeld van de kwaal 

De bipolaire stoornis is een boeiende stoornis voor de buitenstaander. De ene keer heb je te maken met een joviale buurman die je uitbundig complimentjes maakt over je nieuwe truitje. De volgende ochtend kan dezelfde man het nauwelijks opbrengen om ‘goedemorgen’ tegen je te zeggen. En als je pech hebt, houdt hij je de keer daarop de halve nacht wakker omdat ‘componeren nu eenmaal ‘s nachts het beste gaat’. Voor de buurman zelf is de stoornis meer dan alleen maar boeiend: 

De ideeën en emoties flitsen als vallende sterren door je geest en je grijpt ze vast totdat er nog betere langs vliegen. Je verlegenheid verdwijnt, de juiste woorden en gebaren komen plotseling vanzelf en je weet zeker dat je anderen onmiddellijk boeit. Zelfs oninteressante mensen worden opeens interessant. Alles krijgt een sensuele gloed en je kunt het verlangen om te verleiden en verleid te worden niet weerstaan. Gevoelens van gemak, intensiteit, macht, welbehagen, financiële rijkdom en euforie dringen tot in je botten door. Maar dan verandert er iets. De snelle ideeën overspoelen en ontglippen je. Je heldere geest raakt vertroebeld. Je geheugen werkt niet meer. De glimlach en de aandacht op de gezichten van je vrienden veranderen in angst en bezorgdheid. Alles dat eerder meeliep, loopt nu tegen. Je wordt geïrriteerd, boos, bang en onbeheerst, en je verdwaalt in de donkerste grotten van je geest, waarvan je niet eens wist dat ze bestonden. (K. Redfield Jamison, 1995) 

Het citaat hiervoor beschrijft heel treffend de gevoelens, emoties en sensaties die mensen met een manische of een depressieve periode ervaren. De beschrijving is heel mooi, bijna poëtisch. Maar de ervaring zelf is niet zo mooi. 

Symptomen 
Als je ‘stemming’ ziet als een soort lijn met aan het ene eind diepe somberheid en aan het andere eind uitgelatenheid en vrolijkheid, dan zijn de twee polen (bi-polair) van de stoornis meteen duidelijk. Nu zijn er wel meer mensen onderhevig aan sterke stemmingswisselingen maar niet iedereen is bipolair. Je wordt pas zo genoemd als de stemmingswisselingen zo extreem zijn dat het normale leven eronder lijdt. Dat je bijvoorbeeld zo somber bent dat je nog slechts met grote moeite voor jezelf kan zorgen, laat staan werken. Of dat je juist heel uitgelaten, vrolijk en druk, maar ook heel chaotisch bent. Zo chaotisch dat je op het werk geweldige plannen kan bedenken voor een algehele reorganisatie maar in de praktijk nog geen nietje in kan slaan. Je overschat je eigen mogelijkheden.

Vanwege de ernst van de verschillende stemmingsepisoden wordt de bipolaire stoornis als een psychiatrische stoornis beschouwd. Als je eraan lijdt, ben je niet nu eens vrolijk en dan weer wat somber. Je bent afwisselend zo vrolijk en uitgelaten of juist zo depressief dat je normale functioneren er ernstig door wordt gehinderd. Gelukkig ben je niet voortdurend het een of het ander. Er zijn ook perioden dat je stemming gewoon stabiel is. Hoe lang die perioden duren is per persoon verschillend. Bij de één duren ze kort, dagen of weken; bij de ander maanden of jaren.
De stemmingen gaan gepaard met lichamelijke verschijnselen als: veranderde slaapbehoefte, ander eetpatroon, moeite met concentreren, rusteloosheid, meer behoefte aan seks (manie). Of juist grotere slaapbehoefte, problemen met inslapen of doorslapen, veranderingen in de stoelgang (depressie).
Buiten de last die je hebt van het leven in twee uitersten, is daar ook nog de moeilijkheid van het leven in het ‘neutrale’ tussengebied. De stemming is dan weliswaar ‘normaal’ maar het kost erg veel energie om dat evenwicht te bewaren. Je kan zelfs dan dus niet zijn zoals anderen omdat de ontregeling altijd op de loer ligt.
Bovendien heeft een deel van de bipolaire personen ook tussen de depressieve of (hypo)manische perioden in nog klachten. Moeheid en een verminderd concentratievermogen worden veel genoemd als ‘restverschijnselen’. Dit is een bewijs voor het idee dat de bipolaire stoornis niet – zoals lang is aangenomen – een periodiek terugkerende ziekte is waar je soms wel en soms geen last van hebt. Het is een aandoening die ‘in golven’ verloopt. Een zogenaamde cyclische aandoening die altijd aanwezig is. Je hebt er alleen de ene dag meer hinder van dan de andere en soms merk je er gelukkig helemaal niks van.

Vroege en late symptomen
Bij de bipolaire stoornis hoeft er geen verschil te zijn in symptomen in het begin van de ziekte of symptomen die optreden als je de ziekte al een aantal jaren hebt.
Sommige mensen hebben eerste enkele jaren lichte stemmingsschommelingen, voordat de eerste echte duidelijke episode optreedt. (Er wordt gesproken over een depressieve episode als je gedurende minstens twee weken zo depressief bent dat je er flink door wordt gehinderd in je normale bezigheden. Er wordt gesproken over een manische episode als je minstens een week zo manisch bent dat je er in je normale doen en laten veel hinder van ondervindt.)
Anderen hebben nog nooit ergens last van gehad, maar krijgen na een ingrijpende gebeurtenis van de ene dag op de andere ineens een manie.
Weer anderen hebben al jarenlang depressies voordat er een (hypo)manie optreedt of juist al jarenlang (hypo)manieën voordat er ooit van een depressie sprake is.
Wel is het bij bijna iedereen zo dat de episoden – en dus de symptomen – in de loop van de tijd vaker voorkomen en heviger worden. Met andere woorden: de meeste mensen die bipolair zijn, zijn begonnen met vrij lichte symptomen die in de loop van de tijd als de ziekte voortschrijdt, heviger worden. Tenzij je bij die uitzonderingen behoort bij wie de eerste episode nooit meer gevolgd wordt door een tweede. Of tenzij je ziekte tijdig is onderkend en je met medicatie bent gestart, want medicatie heeft een gunstige invloed op het verloop van het proces.

2. Diagnostiek

Je kan pas bepalen of je een bipolaire stoornis hebt als je weet wat daar eigenlijk precies onder wordt verstaan. Welke verschijnselen moet je hebben en in welke mate, om volgens de officiële richtlijnen van de geestelijke gezondheidszorg als bipolair bestempeld te worden? Niet dat het nu zo fijn is om dit predikaat opgeplakt te krijgen, maar je zal pas de behandeling krijgen die je nodig hebt, als ook je behandelaar vindt dat je (volgens die officiële richtlijnen) bipolair bent. 

Bipolaire I – en bipolaire II-stoornis
Je kunt de bipolaire stoornissen onderverdelen in bipolaire I- en bipolaire II-stoornis.
Je hebt een bipolaire I-stoornis als je minimaal één manie hebt gehad (maar de meeste mensen met een bipolaire I-stoornis hebben er meer gehad en daarnaast ook depressies).
Je hebt een bipolaire II-stoornis als je minimaal één hypomanie hebt gehad en daarnaast een of meer depressies. 

Een hypomanie is minder ernstig dan een manie: wel druk en veel praten bijvoorbeeld, maar je beoordelingsvermogen is nog redelijk intact. Het is een soort glijdende schaal met aan de ene kant een normale stemming en aan de andere kant de manie. Ergens daar tussenin zit de hypomanie.
Afhankelijk van de aan- of afwezigheid van manieën wordt het een bipolaire I- dan wel een bipolaire II-stoornis genoemd. In het kort:

bij de bipolaire I-stoornis heb je manieën en meestal ook depressies. Bij de bipolaire II-stoornis heb je hypomanieën en depressies.

Diagnostiek: DSM-IV
Er wordt in de geestelijke gezondheidszorg gebruikgemaakt van een internationaal classificatiesysteem DSM-IV genaamd (Diagnostic Statistical Manual). Het is een soort overzicht van de op dit moment bekende psychiatrische stoornissen met de daarbij behorende symptomen. Dit heeft veel voordelen voor patiënten want het betekent dat als je huisarts over jouw manische episode praat met je psychiater, ze beiden precies weten waar ze het over hebben. De DSM-IV is op dit moment de standaard wat betreft het diagnosticeren van psychiatrische stoornissen. Een manische episode wordt in de DSM-IV als volgt omschreven:

Een duidelijk herkenbare periode met een abnormale en voortdurend verhoogde, expansieve (uitgelaten) of prikkelbare stemming, gedurende ten minste een week (of elke duur indien opneming in een ziekenhuis noodzakelijk is).
Tijdens de stemmingsstoornis zijn drie (of meer) van de volgende symptomen (vier indien de stemming alleen geprikkeld is) voortdurend en in belangrijke mate aanwezig:
1 opgeblazen gevoel van eigenwaarde of grootheidsideeën;
2 afgenomen behoefte aan slaap (bijv.: voelt zich uitgerust na
slechts drie uur slaap) ;
3 spraakzamer dan gebruikelijk of spreekdrang;
4 gedachtevlucht of de subjectieve beleving dat de gedachten
jagen;
5 verhoogde afleidbaarheid (dat wil zeggen de aandacht wordt
gemakkelijk getrokken door onbelangrijke of niet terzake doende, van buiten komende prikkels);
6 toeneming van doelgerichte activiteit (ofwel sociaal, op het werk
of op school, ofwel seksueel) of psychomotorische agitatie;
7 zich overmatig bezig houden met aangename activiteiten waarbij een grote kans bestaat op pijnlijke gevolgen (bijv. ongeremde koopwoede, seksuele indiscreties of zakelijk onverstandige investeringen) .
Over de depressieve episode staat er het volgende: 

1 depressieve stemming gedurende het grootste deel van de dag,
bijna elke dag, zoals blijkt uit ofwel subjectieve mededelingen (bijv. voelt zich verdrietig of leeg) ofwel observatie door anderen (bijv. lijkt betraand);
2 duidelijke vermindering van interesse of plezier in alle of bijna
alle activiteiten gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag (zoals blijkt uit subjectieve mededelingen of uit observatie door anderen);
3 duidelijke gewichtsvermindering zonder dat dieet gehouden
wordt of gewichtstoename (bijv. meer dan vijf procent van het lichaamsgewicht in één maand), of bijna elke dag afgenomen of toegenomen eetlust;
4 insomnia (slapeloosheid) of hypersomnia (veel slapen), bijna elke dag;
5  psychomotorische agitatie of remming (waarneembaar door anderen, en niet alleen maar een subjectief gevoel van rusteloosheid of vertraagdheid), bijna elke dag;
6 moeheid of verlies van energie, bijna elke dag;
7 gevoelens (die waanachtig kunnen zijn) van waardeloosheid of buitensporige of onterechte schuldgevoelens (niet alleen maar zelfverwijten of schuldgevoel over het ziek zijn), bijna elke dag;
De DSM-IV zegt over de bipolaire II-stoornis: 

recidiverende (steeds terugkerende) depressieve episoden met hypomane episoden.
8 verminderd vermogen tot nadenken of concentratie of besluiteloosheid (ofwel subjectief vermeld ofwel geobserveerd door anderen), bijna elke dag;
9 terugkerende gedachten aan de dood (niet alleen de vrees dood te gaan), terugkerende .suïcidegedachten zonder dat er specifieke plannen gemaakt zijn, of een suïcidepoging of een specifiek plan om suïcide te plegen.
Toch vinden de meeste mensen met een bipolaire stoornis de depressie verreweg het moeilijkst te doorstaan. Een hypomane episode is, zoals al eerder werd opgemerkt, eigenlijk een manische episode in afgezwakte vorm. De verschijnselen zijn weliswaar hetzelfde maar minder hevig. In een hypomane episode zal je een mantelpakje kopen datje niet echt nodig hebt en in een manische episode een auto terwijl je geen rijbewijs bezit. Hypomane episoden leveren dus minder problemen op. Vaak kunnen mensen dan nog heel goed functioneren en soms zelfs beter dan normaal. Mensen hebben over het algemeen dan ook weinig last van hypomane episoden en zullen pas hulp zoeken als de depressie de kop opsteekt. 

 

Het lijkt vreemd dat bij zo’n indeling het al of niet ooit een manie gehad te hebben het criterium is. Een feit is echter dat juist deze episoden – de officiële benaming voor een manische dan wel depressieve periode – het meest ingrijpen op iemands leven. Als je zwaar depressief bent, voel je je vreselijk en is er niks meer leuk in het leven. Sommige mensen komen door een depressie maandenlang nauwelijks hun bed uit. Dat dat invloed heeft op je sociale leven en je beroepsmatige leven spreekt voor zich. Maar als je uit een depressie komt, kun je in principe weer doorgaan met het leven dat je gewend was. Als je daarentegen echt compleet manisch geweest bent en je hebt twee ton uitgegeven terwijl je nog net drie tientjes op je rekening had staan, bij de buren de ruiten hebt ingegooid en je baas eindelijk eens de waarheid verteld hebt, dan is het een stuk lastiger om de draad weer op te pakken. Als je depressief bent, ben je geen prettig gezelschap maar je verdient wel sympathie. Of je dat altijd zult krijgen – zeker als je al een tijd depressief bent – is de vraag. Maar sympathie opbrengen voor de buurman die het hele gezin een paar weken wakker heeft gehouden omdat er midden in de nacht moest worden verbouwd, is van veel mensen te veel gevraagd.

Maar toen viel ik opeens in een bodemloze put. Mijn kristalheldere geest vertroebelde. Steeds opnieuw las ik dezelfde passages voordat het tot me doordrong dat ik er geen woord van kon onthouden. Dat gebeurde met elk boek of gedicht. Ik begreep nergens meer iets van. Ik snapte niets meer van de stof die we op school behandelden en zat uit het raam te staren zonder enig besef van de gebeurtenissen om me heen. Het was heel beangstigend. En vervolgens een grauwe, kille preoccupatie met de dood, sterven, rotten, het feit dat alles alleen maar bestond om te sterven en dat ik dus maar beter meteen dood kon gaan zodat ik al die pijn tijdens het wachten erop niet hoefde te doorstaan. (K. Redfield Jamison, 1996) 

Het leven is vreselijk als je depressief bent. Logisch dus dat er – vooral tijdens een depressie – vaak met verlangen uitgekeken wordt naar een hypomane periode. Je voelt je goed, alles lijkt te lukken, er zijn geen zorgen en geen twijfels. De angst is echter altijd aanwezig dat de hypomanie ontspoort en doorslaat in een manie, want een manie is het meest ontwrichtende van de twee uitersten van de bipolaire stoornis: voor de persoon met MDS zelf en voor zijn directe omgeving: 

Nu had ik een villa gezien met een tuin die grensde aan het Slotervaartziekenhuis. Ik was dertig en ik dacht die moet ik hebben. Ik wou daar de allochtone scharreljeugd in opvangen. Met pingpongtafels, biljarts en een huiswerkzaal. Dat huis heb ik nooit kunnen betreden. Meer dan een aanbetaling kon ik niet opbrengen. De koop werd ongedaan gemaakt toen ik als gevaar voor de samenleving tussen de lakens belandde. En de eigenaren pikten dat bedrag in. Ik heb ze nog lang het leven zuur gemaakt door brieven te schrijven dat ik ze voor de rechter zou slepen. Ik was inmiddels krankzinnig verklaard. Voor heel even hoor. Mijn eerste vrouw Tineke heeft dat ongedaan weten te maken. (‘In mijn leven alleen maar storm’, de Volkskrant, B. Haveman, 07-08-1999)

Een paar cijfers 

In Nederland heeft een tot twee procent van de bevolking een bipolaire stoornis. Dit betekent dat circa 150.000 tot 200.000 Nederlanders afwisselend (hypo)manisch of depressief zijn of zich ergens in het tussengebied bevinden. De bipolaire I-stoornis komt vaker voor dan de bipolaire II-stoornis. Er lijden evenveel vrouwen als mannen aan een bipolaire stoornis, hoewel het erop lijkt dat meer vrouwen dan mannen een bipolaire u-stoornis hebben. De eerste symptomen treden meestal op tussen de twintig en dertig jaar oud. Er ligt gemiddeld tien jaar tussen het optreden van de eerste symptomen en het stellen van de diagnose. ‘Gemiddeld’ betekent dus dat sommige mensen al heel snel de juiste diagnose krijgen, anderen pas na vele jaren en sommigen helemaal nooit. Naar schatting wordt nog niet eens een op de drie mensen met een bipolaire stoornis professioneel behandeld.

 
 

 

3. Lithium

Al in de tijd van de Romeinen adviseerden artsen patiënten met een manie water te drinken uit bepaalde bronnen. Later bleek dat deze bronnen lithium bevatten. De Romeinen waren dus waarschijnlijk de eersten die, zonder het te weten, deze stof ter behandeling van een manie toepasten. Lithium werd als scheikundig element namelijk pas in 1817 ontdekt. De herontdekking van lithium als middel tegen manie werd bij toeval gedaan door Cade in 1949. 

Rond die tijd begon men lithium echter ook te gebruiken als vervangingsmiddel voor keukenzout in een zoutarm dieet. Daarbij bleek dat lithium eigenlijk zeer gevaarlijk is en dat bij ongecontroleerd gebruik ernstige vergiftigingen kunnen optreden. Om die reden werd het gebruik van lithium toen ook in de psychiatrie gestaakt, tot het moment dat een Deense psychiater, Mogens Schou, in 1954 voor het eerst nauwkeurig onderzoek deed naar de werking van lithium bij een manie. 

Preventief bij manie en depressie
Korte tijd later bleek dat lithium, behalve als medicijn bij een bestaande manie, ook effectief was ter voorkoming van manieën bij een bipolaire stoornis. Vervolgens bleek hetzelfde te gelden voor depressies.
Lithium werkt alleen zolang je het gebruikt. Als na vele jaren lithiumgebruik zonder psychiatrische problemen geprobeerd wordt ermee te stoppen, blijkt helaas dat dit zeer vaak (in een representatief onderzoek meer dan 50% binnen 6 maanden) een recidief, een terugkeer van de manisch-depressieve episoden, inluidt.
Als de lithiumprofylaxe beëindigd wordt moet dat bij voorkeur enigszins geleidelijk gebeuren. Tenzij dat natuurlijk gewoon niet kan (bij een lithiumvergiftiging bijvoorbeeld).
De effectiviteit van lithium is betrekkelijk groot. Bij meer dan tweederde van de patiënten die lithium gebruiken, komen geheel geen manische of depressieve episoden meer voor, of zijn deze zo licht dat ze nauwelijks problemen veroorzaken.
De ernstige consequenties van een manisch-depressieve stoornis (met name zelfmoord) blijken dankzij lithium sterk te verminderen of nagenoeg te verdwijnen.
Overigens lijkt het erop dat dit anti-suïcidale effect van lithium losstaat van de therapeutische effecten op de stemmingsstoornis. Lithium heeft kennelijk een specifiek anti-suïcidaal effect. Een geslaagde suïcide bij iemand die goed is ingesteld op lithium is (gelukkig) een zeldzaamheid. Ten slotte kan toevoeging van lithium aan een behandeling met antidepressieve geneesmiddelen een tot dan toe niet goed herstellende depressie genezen.

Verschillende lithiumpreparaten
Er zijn diverse lithiumpreparaten op de markt. Wat betreft de werking verschillen ze onderling waarschijnlijk niet. Het voordeel van de merkpreparaten (Camcolit, Litarex en Priadel) is dat er maar één sterkte van bestaat en dat de tabletten goed herkenbaar zijn. De kans op vergissingen is daardoor uiterst klein. Van het merkloze lithiumcarbonaat, dat het goedkoopst is en even goed werkt, zijn vier verschillende sterkten (200, 300, 400 en 500 mg) in de handel. Dat kan voor vergissingen zorgen. Als iemand tabletten van 500 mg gebruikt en per vergissing tabletten van 200 mg gaat gebruiken, is de kans groot dat de bloedspiegel (de concentratie lithium in het bloed) zo laag wordt dat het preparaat niet meer werkt. In het omgekeerde geval kan de bloedspiegel zo sterk toenemen, dat een lithiumvergiftiging dreigt. Omdat vergissingen zulke grote gevolgen kunnen hebben, kan het bestaan van vier sterkten van het merkloze lithiumcarbonaat een nadeel zijn. Gebruikers moeten daarom altijd opletten of ze in de apotheek de juiste tabletten hebben gekregen.
Pas op: de benodigde dosis lithiumcarbonaat (priadel, Camcolit) is niet gelijk aan de benodigde dosis lithiumcitraat (Litarex); dus nooit door elkaar gebruiken! 

Bloedspiegel
De bloedspiegel is de concentratie van lithium in het bloed. De meeste medicijnen worden aan iedereen in één bepaalde standaarddosis voorgeschreven. Bij lithium is dat niet het geval, omdat de bloedspiegel bij één bepaalde dosering van persoon tot persoon kan verschillen. Dat komt doordat de nieren het lithium bij de één veel sneller uitscheiden dan bij de ander.
De dosering verschilt dus van persoon tot persoon. Daarom wordt de dosering voor iedereen individueel vastgesteld aan de hand van de bloedspiegel. Hierbij streeft men naar waarden tussen de 0,6 en 0,8 mmol/l (bepaald in een bloedrnonster dat 12 uur na de laatste lithiuminname is afgenomen). Bij therapieresistentie kiezen we wel voor hogere bloedspiegels tussen 0,8 e.n 1,0 mmol/l. Bloedspiegels beneden 0,4 mmol/l worden niet zinvol geacht en bij bloedspiegels boven de 1,0 mmol/l moet je ernstig rekening houden met behoorlijk wat bijwerkingen.

Wijze van gebruik
Er is niet aangetoond dat het eenmaal per dag innemen van een dosis minder effectief zou zijn dan het twee- of driemaal daags innemen. Eenmaal per dag innemen heeft praktische voordelen, vooral als het ‘s avonds gebeurt. De hoogste concentratie valt dan ‘s nachts wanneer de patiënt slaapt. De eventueel optredende bijwerkingen treden dan ook in die periode op. Ook voor het bepalen van de bloedspiegel is het gemakkelijker als de dagelijkse dosis ‘s avonds in één keer wordt ingenomen, omdat het bloed hiervoor 12 uur na de laatste inname moet worden afgenomen. Laboratoria nemen bij voorkeur ‘s morgens bloed af.

Begin van een lithiumbehandeling
Wanneer iemand voor het eerst op lithium wordt ingesteld, zal de behandelend arts doorgaans voorzichtig beginnen. Vijf tot zeven dagen na een bepaalde lithiumdosering zal een evenwichtstoestand zijn bereikt en heeft het zin om de bijbehorende bloedspiegel te bepalen.

Hoe vaak is controle nodig?
De frequentie van de controle is niet voor elke gebruiker gelijk. Dat is afhankelijk van een aantal factoren. Voor iemand die al jaren zonder problemen lithium gebruikt, er veel van weet en bij bijwerkingen direct aan de bel trekt, is één controle per drie maanden voldoende. Anderen, die vaker ontregeld raken, medicijnen gebruiken die de lithiumspiegel beïnvloeden, en/of andere lichamelijke ziekten hebben, zullen vaker voor controle moeten komen. Soms zelfs eenmaal per week. Onder normale omstandigheden houden we in Nederland een termijn van één tot drie maanden aan.

Bijwerkingen van lithium
Bij bijwerkingen willen patiënten soms met de lithiumbehandeling stoppen en dat is best begrijpelijk. De bijwerkingen geven je immers dagelijks last, terwijl je het werkzame effect vaak niet zo merkt. 

Interacties
Diuretica:
van plastabletten (diuretica) is bekend dat ze de lithiumspiegel fors kunnen verhogen en zelfs tot een lithiumvergiftiging kunnen leiden.
Pijnstillers: minder bekend is dat ook sommige ‘moderne’ pijnstillers de lithiumspiegel kunnen verhogen. Het gaat hierbij om de zogeheten prostaglandinesyntheseremmers (zoals ibuprofen, indometacine en diclofenac). Paracetamol kan in dit opzicht als pijnstiller geen kwaad.
Antibiotica: ook sommige antibiotica kunnen de lithiumspiegel verhogen. Bepaalde middelen tegen hoge bloeddruk, bekend als de ACE-remmers, kunnen ook de lithiumconcentratie in het bloed verhogen (voorbeelden zijn Capoten, Renitec). 

Daarnaast is er nog een aantal geneesmiddelen dat de lithiumspiegel kan verlagen. Dit zijn onder andere acetazolamide (Diamox en Glaupax) tegen verhoogde oogboldruk (glaucoom) en epilepsie en corticosteroïden (zoals Prednison), gebruikt als ontstekingsremmend middel bij bijvoorbeeld astma.
Ook zijn er medicijnen die in combinatie de lithiumspiegel niet beïnvloeden, maar wel op andere wijze problemen kunnen veroorzaken (sommige neuroleptica, zogenoemde calciumantagonisten, carbamazepine en levodopa). 

Zwangerschap
Bij een kinderwens doen zich niet alleen vragen voor over onder andere de erfelijkheid van de manisch-depressieve stoornis, maar ook over het gebruik van lithium. Tijdens de eerste drie maanden van de zwangerschap kan het gebruik van lithium leiden tot aangeboren (hart-)afwijkingen bij het kind. Dat betekent dat het gebruik al op het moment van de bevruchting gestaakt moet zijn. Overigens blijkt uit recenter onderzoek dat de kans op schade aan de vrucht door lithiumgebruik waarschijnlijk veel minder groot is dan voorheen werd aangenomen. Voorzichtigheid en terughoudendheid blijven echter geboden. 

Aangezien het vaak wel even duurt voordat een zwangerschap optreedt nadat het gebruik van voorbehoedmiddelen is gestaakt, is die periode zonder lithium er een met verhoogd risico. Geen lithium betekent immers een grotere kans op een nieuwe manische of depressieve episode. Als een vrouw eenmaal zwanger is, komt het gelukkig veel minder vaak tot een depressie of manie. Wanneer lithium dan toch nodig is, kan het vanaf de vierde maand van de zwangerschap zonder bezwaar gebruikt worden. Wel gelden er voor die periode speciale regels en zal er wat vaker een bloedonderzoek moeten plaatsvinden.

Hoe lithium precies werkt is niet helemaal duidelijk maar er wordt aangenomen dat het betrokken is bij de prikkeloverdracht tussen verschillende zenuwuiteinden in de hersenen. Deze prikkeloverdracht is bij mensen die bipolair zijn verstoord. Doordat het ook andere organen beïnvloedt, heeft lithium echter behalve goede effecten ook minder gewenste bijwerkingen.
Lithium wordt op dit moment vooral gebruikt om depressies en manieën te voorkomen. Dit lukt in ongeveer zestig procent van de gevallen. Bovendien kan lithium gebruikt worden om een bestaande manische of depressieve episode te bestrijden. In dat geval wordt het dus niet als preventieve medicatie gebruikt maar als direct antimanisch of antidepressief middel. Om deze redenen is lithium de eerste keus als iemand een stemmingsstabilisator moet gebruiken. 

Bijwerkingen en wat daar aan te doen
Lithium heeft helaas een aantal nadelen waardoor het niet voor iedereen bruikbaar is, zoals: 

- trillingen gewichtstoename dorst, droge mond vaak plassen misselijkheid; 
- diarree;  
- verstopping;
- acné;  
- gaatjes in tanden en kiezen minder zin in vrijen;  
- verminderd geheugen en concentratie te traag werkende schildklier;  
- ‘vlak’ gevoel.

Gelukkig verdwijnen veel van deze bijwerkingen na verloop van tijd maar circa 75% van de lithiumgebruikers houdt er een of meer ‘over’ waarvan trillingen en gewichtstoename tot de meest hardnekkige behoren. Er is niet veel, maar wel iets aan deze bijwerkingen te doen. Allereerst is het van belang een zo laag mogelijke (maar nog wel werkzame) lithiumspiegel (hoeveelheid lithium inje bloed) aan te houden. 

De trillingen kunnen soms verminderd worden door alcohol- en koffiegebruik te beperken en er zijn medicijnen die het trillen tegengaan (propanolol) . De gewichtstoename kan beperkt worden door eigenlijk continu dieet te houden. Niet leuk, wel effectief. De dorst kan bestreden worden met veel drinken (water of iets anders zonder toegevoegde suikers i.v.m. gewichtstoename). Tegen een droge mond helpt (suikervrije) kauwgom, of iets anders om de speekselproductie te stimuleren zoals komkommer, augurk of tomaat. Vaak plassen kan bestreden worden door minder te drinken maar daar krijg je weer zo’n dorst van. Bovendien zou je uitdrogen als je door het lithium wel meer bent gaan plassen, maar niet meer bent gaan drinken om dat vochtverlies aan te vullen. De misselijkheid wordt vaak minder als het lithium bij het eten wordt ingenomen. Tegen (aanhoudende) diarree en acné valt weinig te doen behalve een ander merk lithium uitproberen. Tegen verstopping bestaan allerlei middeltjes maar ook vezelrijk voedsel en veel drinken helpt (bij voorkeur – zoals gezegd – water of iets anders zonder calorieën in verband met ongewenste gewichtstoename). Bij gaatjes in je tanden kun je wat vaker naar de tandarts gaan, goed poetsen, spoelen met fluor en weinig suikers en zuren gebruiken.
 
Lithiumvergiftiging
Een voorheen niet bestaand en snel erger wordende sufheid, sloomheid, lusteloosheid, spierzwakte, zwaar gevoel in armen en benen, een onzekere dronkemansloop of dronkemansspraak, sterk beven van handen en/ of kaak, braken, diarree en spier trekkingen.
Als je deze verschijnselen krijgt, moet je meteen het lithium stoppen en contact opnemen met je behandelaar of (waarnemend) huisarts. Er zal dan meestal met spoed een lithiumbepaling verricht worden.
Bloedafname voor de bepaling van de lithiumspiegel moet twaalf uur na de laatste inname plaatsvinden.

Tien hoofdregels bij lithiumgebruik
1. Neem de voorgeschreven lithiumtabletten iedere dag in op vaste tijden.
2. Haal een vergeten dosis niet in (neem geen dubbele dosis als u de vorige heeft vergeten).
3. Neem nooit minder (maar zeker ook nooit meer) dan de voorgeschreven dosis.
4. Bloedafname voor de bepaling van de lithiumconcentratie in het bloed moet in principe 12 uur na de laatste inname plaatsvinden.
5. Vertel andere behandelende artsen dat u lithium gebruikt. laat hen ook uw informatiemateriaal zien, bijvoorbeeld deze hoofdregels of dit boek.
6. Als u extra medicatie (bijvoorbeeld plaspillen) voorgeschreven krijgt, geef dit dan door aan degene die u lithium voorschrijft. Gebruik bij voorkeur paracetamol als u pijnstillers nodig heeft.
7. Breng onbegrepen lichamelijke klachten niet alleen onder de aandacht van uw huisarts, maar ook van degene die u lithium voorschrijft.
8. lithiumgebruik tijdens de zwangerschap geeft risicio’s voor moeder en kind. laat u bij een kinderwens eerst voorlichten door uw huisarts en psychiater.
9. Zorg voor voldoende zout- en vochtinname bij warmte, ziekte, hevig transpireren en langdurige inspanning. Overleg over een dieet met degene die u lithium voorschrijft.
10. lees met enige regelmaat het informatieboek door en zorg dat u de verschijnselen van een (dreigende) lithiumvergiftiging kent. Stop in een dergelijk geval de lithiuminname en neem zo spoedig mogelijk contact op met uw behandelaar of de (waarnemend) huisarts.

(Bron: Lithiumpluswerkgroep/vMDB) 
 
  

 

4. Erfelijkheid
Maar hoe kom je nu aan die stoornis? Word je ermee geboren? Of komt het door een bacil of een virus? 
De bipolaire stoornis is voor een belangrijk deel erfelijk bepaald. Onderzoeken hebben uitgewezen dat kinderen met één bipolaire ouder tienrnaal zo veel kans hebben om zelf ook bipolair te worden als kinderen zonder zo’n ouder. Zijn je vader en je moeder bipolair dan loopt het risico om het ook te krijgen op tot circa 60%. Hoe die erfelijkheid precies in zijn werk gaat, is nog niet bekend. 

De genen (de bouwstenen van een chromosoom) die bipolariteit kunnen veroorzaken, zijn nog niet geïdentificeerd. Wel lijkt het er op dat er meerdere genen op verschillende chromosomen in het spel zijn. Uit het feit dat van eeneiige tweelingen (die exact hetzelfde ‘genenpakket’ bezitten) maar in 60 tot 70% van de gevallen beide leden van de tweeling een bipolaire stoornis hebben, blijkt dat erfelijke bepaaldheid dus niet betekent dat je de aandoening ook altijd krijgt. Was dat wel het geval dan zou van elke eeneiige tweeling met aanleg voor bipolariteit beide tweelingzussen of tweelingbroers de stoornis moeten krijgen. 
Of de aangeboren aanleg zich ook echt openbaart, hangt erg af van het feit of iemand in zijn leven sterk belast wordt, of veel stress ervaart (op dit onderwerp kom ik terug in het hoofdstuk over psychosociale factoren). 

Aanleg voor psychiatrische stoornissen 
Je kan eigenlijk niet zeggen dat iemand erfelijk belast is met bipolariteit of daar aanleg voor heeft. Het gaat waarschijnlijk om een verhoogde kwetsbaarheid voor psychiatrische stoornissen in het algemeen en stemmingsstoornissen in het bijzonder. Bij de eerste- en tweedegraads familieleden van iemand die bipolair is komt namelijk niet alleen meer manisch-depressiviteit voor, maar je vindt er ook meer: depressies (een ‘unipolaire’ stoornis: stoornis met maar één pool, de depressie) en cyclothymie (een nog wat lichtere variant van de bipolaire stoornis: hypomane episoden en depressieve symptomen maar deze laatste zijn niet voldoende ernstig om van een ‘officiële’ depressieve episode te kunnen spreken). 

Uit onderzoek blijkt dat van kinderen met een bipolaire ouder circa 15% zelf een bipolaire stoornis krijgt en eveneens circa 15% een unipolaire stoornis (dan heb je alleen depressies). Met andere woorden: het lijkt erop dat het gaat om een kwetsbaarheid die erfelijk is, maar die verschillende uitingsvormen kan hebben. Net zoals de griep die bij de een vooral spierpijn oplevert en bij de ander vooral keelpijn. Je krijgt verschijnselen daar waar toevallig je zwakke plek zit. Maar het zou ook kunnen gaan om één en hetzelfde ziektebeeld dat bij de een wat heftiger tot uiting komt dan bij de ander. Lichte griep versus zware griep. Cyclothymie versus een ernstige bipolaire stoornis. 

Wat voor deze hypothese pleit is het feit dat je bij een groot deel van de mensen met een bipolaire stoornis ziet dat ze eerst een aantal jaren depressief zijn geweest voordat ze ooit een manie kregen. Bij veel mensen blijft het alleen bij die depressies en ontwikkelt de ziekte zich niet verder. Het zou dan dezelfde ziekte zijn maar met een minder ernstig verloop. 

Heel veel bipolaire mensen hebben geen bipolaire ouders, grootouders of overgrootouders. Dit duidt erop dat de bipolariteit vele generaties kan overslaan. 

Wat gaat er waar mis? 
De erfelijke bepaaldheid is dus onomstotelijk bewezen. Wat nog niet duidelijk is, is wat er nu lichamelijk precies fout gaat waardoor je bipolair wordt. Welke stofjes doen wat verkeerd? 
Er bestaan op dit moment meerdere ideeën over dit onderwerp. De meeste zijn gebaseerd op het gegeven dat depressieve en manische episoden succesvol kunnen worden bestreden door psychofarmaca (medicijnen die invloed hebben op het psychisch functioneren). Dit zou moeten betekenen dat er in de hersenen een of meerdere stofjes zijn die niet doen wat ze moeten doen. Of dat ze iets doen wat ze niet behoren te doen. Er wordt met name gedacht aan neurotransmitters (die verzorgen de informatieoverdracht tussen de hersencellen) . 

Er wordt op dit moment veel onderzoek gedaan naar wat die stoffen dan precies fout doen en waarom dat zulke gevolgen heeft. Maar er zijn tot op heden niet zo heel veel keiharde feiten. Want dat je door medicatie het functioneren van neurotransmitters verbetert en mensen zich daardoor ‘beter’ voelen, is nog geen bewijs dat die neurotransmitters de oorzaak van de ziekte zijn. Het zegt niet meer dan dat neurotransmitters waarschijnlijk een rol spelen bij bipolariteit. En het is fijn dat je door medicatie het functioneren van die neurotransmitters zo kan verbeteren dat er minder episoden optreden. Maar misschien is het slecht functioneren van die neurotransmitters wel een gevolg van een geheel ander defect. En zijn de stemmingsschommelingen weer een gevolg van het niet goed functioneren van die neurotransmitters. Vooralsnog is er niets echt met zekerheid over te zeggen. 

Dat er in het hoofd iets niet goed gaat, menen sommige mensen overigens echt duidelijk te kunnen voelen. Er wordt gesproken over signalen die het begin markeren van weer een nieuwe episode: een ‘fluit’ in het hoofd, of een ‘tikje’, of een ‘knak’, zoals Ger Klein overkwam.
Maar het omgekeerde komt ook voor: dat mensen voelen dat de episode overgaat: 

Soms als ik depressief ben voel ik ineens een soort plopje in mijn hoofd en dan weet ik dat het weer goed aan het komen is. Binnen een paar uur ben ik dan weer ‘gewoon’. 

Erfelijkheid van de specifieke eigenschappen van de bipolaire stoornis 
Er bestaan aanwijzingen dat de verschillende eigenschappen van de ziekte eveneens erfelijk zijn. Had je moeder bijvoorbeeld een bipolaire stoornis en had ze vier of meer episoden per jaar (snelle schommelingen oftewel rapid cycling), dan is de kans groot (als je de stoornis krijgt) dat je zelf ook een patroon van snelle schommelingen zal gaan vertonen. Groter in ieder geval dan wanneer je moeder of vader geen rapid cycler was. Hoeveel groter die kans is, is niet bekend. 

Wat ook erfelijk lijkt te zijn, is de reactie op bepaalde medicijnen. Reageerde je vader goed op lithium dan is de kans dat jij er ook op reageert, groter dan wanneer je vader er geen baat bij heeft gehad. Het is dus voor de behandeling van bipolariteit van belang om al dit soort informatie boven tafel te krijgen. 

Bipolariteit en kinderen krijgen 
Door Kay Redfield Jamison 

Ik vind het heel jammer dat ik zelf geen kinderen heb. (…) 
Zullen toekomstige ouders dan een foetus dat manisch-depressieve genen bevat, laten aborteren ondanks het feit dat de ziekte behandelbaar is? (Het is interessant te vermelden dat bij een recent onderzoek van de Johns Hopkins Universiteit, waarbij aan manisch-depressieve patiënten en hun echtgenoten werd gevraagd of ze dat zouden doen, maar enkelen een bevestigend antwoord gaven.) Zullen we het wagen om de wereld kleurlozer en eentoniger te maken door manisch-depressieve genen te vernietigen, waarbij ik toegeef dat dat een ongelooflijk ingewikkelde opgave zou zijn? En wat zijn dan de risico’s voor die waaghalzen – die rustelozen in de maatschappij die naar vooruitgang streven in de kunsten, het zakenleven, de politiek en de wetenschap? Lopen manisch-depressieve mensen dan, net als de sneeuwuil en de nevelpanter, de kans om een bedreigde diersoort te worden? 

Het is een moeilijk moreel dilemma, vooral omdat er zowel persoonlijk als maatschappelijk ook positieve kanten zitten aan het manisch-depressief zijn. Deze komen niet alleen tot uiting in mensen met een artistiek temperament en een grote verbeeldingskracht, maar ook in vooraanstaande wetenschappers en leiders op het gebied van zaken, religie, de krijgsmacht en de politiek. 

Bovendien moet ook rekening worden gehouden met minder merkbare effecten op bijvoorbeeld persoonlijkheid, manier van denken en mate van energie, want de ziekte komt veel voor en heeft grote invloed op temperament, gedrag en waarnemingsvermogen. De situatie wordt nog gecompliceerder door het feit dat bijkomende genetische, biologische en milieufactoren (zoals blootstelling aan langdurige of grote verandering van licht, grote vermindering van slaap, zwangerschap en drug- of alcoholgebruik) ook wel eens gedeeltelijk verantwoordelijk zouden kunnen zijn voor zowel de ziekte als de cognitie en karaktertrekken van zeer succesvolle mensen. Deze wetenschappelijke en morele kanten kunnen niet worden genegeerd; gelukkig wordt er door de medewerkers van het door de regering opgerichte Genome-project en andere groepen wetenschappers en ethici wel degelijk over nagedacht. 

Het zijn ingewikkelde vragen, waarop voorlopig nog geen antwoorden te verwachten zijn. De wetenschap weet na het oplossen van bepaalde problemen altijd weer nieuwe te creëren. Hij maakt snel vooruitgang, waaruit vaak veel goeds voorkomt, maar schept ook hoge verwachtingen. 

 5. Mijn eigen verhaal volgens de anamneses

Hieronder – in een notendop – mijn eigen ervaringen met bipolariteit. Uit verschillende stukken in mijn medisch dossier heb ik een redelijk chronologisch verhaal samengesteld. 

Patiënt is van zijn eerste tot zijn elfde jaar lichamelijk mishandeld door zijn stiefvader, heeft (tussentijds) vaak bij familie van zijn biologische vader gewoond (steeds wisselende gezinnen), is ettelijke keren verhuisd en heeft op ettelijke lagere scholen gezeten. Als gevolg van het feit dat hij nooit een echte basis heeft gekend, heeft hij last van verlatingsangst, kan hij zich moeilijk hechten, heeft hij last van een autoriteitsconflict, heeft hij minderwaardigheidgevoelens en kan hij moeilijk anderen vertrouwen. Een psychiater omschrijft hem in de jaren zeventig als “jeugdgehandicapte” en als “ernstig affectief verwaarloosde en als kind mishandelde jongeman”. 

Van zijn twaalfde tot zijn veertiende heeft patiënt een oud-tante verzorgd. Hij woonde bij haar in huis, kookte voor haar, deed het huishouden en waste en verschoonde haar. Toen zij overleed vertrok patiënt op 14-jarige leeftijd naar het buitenland. Tijdens het liften in Duitsland werd hij door een automobilist gedwongen hem te pijpen. Hij kon zich vol walging losrukken en werd de auto uitgeschopt. Patiënt herinnert zich hoe hij ‘s nachts in de regen in het donker over een verlaten weg liep. 

Toen hij 16 jaar was ging patiënt varen, eerst als matroos, later als kok. Op zijn zeventiende werd hij ruw verkracht door een stuurman, een man waarvan hij dacht dat die zijn vriend was. Een nieuwe teleurstelling, een nieuw trauma. Eerder dat jaar verloor zijn vriend David in Israël het leven bij een vuurgevecht. Patiënt vond hem met een half weggereten hoofd.

Patiënt had zich al vroeg voorgenomen dat hij niet ouder dan 23 jaar wenste te worden. Alles wat hij wilde meemaken moest daarom vóór zijn 23e beleefd zijn. Patiënt zocht het gevaar op, begaf zich vrijwillig in oorlogssituaties en illegale internationale activiteiten van politieke aard. Als 20-jarige studeerde hij af in Moskou, als politicoloog. De periode van zijn veertiende tot zijn twintigste jaar was een aaneenschakeling van levensbedreigende situaties. Patiënt was op zoek naar de dood, zegt hij zelf.

In 1973 kreeg patiënt voor het eerst last van een ernstige depressie, ongeveer een jaar durend, die werd gevolgd door een hypomane episode. In de depressieve periode kreeg hij 2000 mg Lithium, 25 mg Tofranil en 30 mg Dalmadorm. Als onderhoudsdosis kreeg hij 1200 mg Lithium, 10 mg Tofranil en 30 mg Dalmadorm. De diagnose van de behandelende psychiater was manisch-depressief (bipolair II). 

In 1976 kreeg patiënt nogmaals een ernstige depressie, die ook een jaar duurde en eveneens werd gevolgd door een hypomane episode. (De depressies in de tussenliggende jaren waren aanzienlijk korter en duurden ongeveer een week.) In deze periode realiseerde patiënt zich dat hij de leeftijd van 23 jaar – de leeftijd waarop hij dood had willen zijn – inmiddels was gepasseerd. Hij vond dat hij verraad aan zichzelf had gepleegd. 

De langdurige depressieve episoden van patiënt kenmerk(t)en zich door apathie en kataleptische verschijnselen. Patiënt heeft nergens zin in, hoeft niet te eten, te drinken, en ligt 24 uur per dag in bed, hoofdzakelijk naar het plafond starend. Niets interesseert hem. Patiënt ervaart dit als een hel, ook omdat het empatisch vermogen hem verlaat. 

In 1979 besloot patiënt (tegen de wil van zijn psychiater) om te stoppen met Lithium. Om de arts ter wille te zijn heeft patiënt toen nog een jaar lang 300 mg Lithium per dag geslikt. (N.B. Deze dosis wordt niet geacht enige therapeutische waarde te hebben.) 

In 1960, 1967, 1968, 1973, 1976, 1994, 1998, 2002 en 2005 heeft patiënt getracht zich van het leven te beroven, hetzij door pillen, hetzij door een overdosis alcohol, hetzij door verdrinking.

Patiënt heeft van 1980 tot 1992 gewerkt als therapeut, coördinator en beleidsmedewerker in diverse intra- en extramurale settings. Tegelijkertijd behaalde hij – met name in zijn hypomane episoden – de nodige diploma’s en universitaire deelcertificaten om zich in zijn expertise te kunnen ontwikkelen. Daarna is hij boeken gaan schrijven en vertalen en heeft in zijn hypomane episoden een extreem hoge productie geleverd op dat gebied (gemiddeld één boek per twee maanden).

In 2004 is patiënt weer begonnen met het gebruik van Lithium. Sinds die tijd is hij ook steeds meer alcohol en slaapmedicatie (Stilnoct) gaan gebruiken, omdat hij steeds vaker last kreeg van nachtmerries. Deze vertonen steeds hetzelfde patroon: patiënt is een jaar of vier en wordt mishandeld door zijn stiefvader. Hij ziet de grote handen van deze man, hij ziet de gebalde vuisten die hem vol in het gezicht raken, hij kan zich niet verweren of weglopen. Na afloop van de nachtmerrie wordt patiënt wakker en herinnert hij zich dat hij als vierjarig kind in de gracht is gevallen. Hij drijft onder de wateroppervlakte, ziet de zon boven het water, daar waar lucht is, maar kan er niet bij. Dan laat hij zich weerloos zakken in de diepte. Het is goed zo. Dat was het dan.

Na een poging op 4 november 2005, een dag na zijn verjaardag, om zijn leven te beëindigen met opgespaarde Stilnoct en drank, waarbij zijn situatie enige tijd kritiek was, is patiënt gestopt met alle medicatie. Formeel staat hij nog ingeschreven bij de afdeling Langdurige Zorg van de GGZ, maar hij heeft geen contact meer met zijn behandelende psychiater.

6. Het verhaal van Auke Hylkema

Auke Hylkema verblijft sinds 3 jaar in Zonneheuvel op het terrein van de GGZ Zuidlaren. De 65 jarige Groninger is maar liefst voor de 39e keer opgenomen. Auke is manisch depressief en dat heeft een grote invloed gehad op zijn leven. De  Klantenkrant zocht hem op in Zuidlaren voor zijn levensverhaal. 

‘Ik ben een echte stadjer. Ben geboren en getogen in de Noorderhaven. Daar hadden mijn ouders een goed lopend bedrijf. Zij deden in olie en kolen. Ik heb een normale jeugd gehad tot mijn 25ste ging alles mijn gemakkelijk af. Kon goed leren en heb een rijk leven geleid. 

Ben toen ik achttien was met de boot naar New York gegaan en heb daar een fantastische tijd gehad. In Amsterdam heb ik ontwikkellingseconomie gestudeerd en makkelijk mijn kandidaats gehaald. Familie en vrienden noemden me een golden boy, maar daarna is het fout gegaan. 

Ik heb op mijn 25ste mijn eerste psychose gehad. Mijn eerste opname was is het AZG te Groningen, mijn psychiater Koos van Dijk heeft mijn toen goed geholpen het daarna ook weer een tijdje beter gegaan. Na te zijn weggestuurd van de vliegeniersopleiding van de Rijksluchtvaartdienst, ik werd weggestuurd wegens gebrek aan discipline, heb ik in de jaren zeventig op verschillende banen gehad. 

Ik ben kroegeigenaar geweest van de Wolthoorn in Groningen en heb vier jaar lang als antiquair gewerkt. Hierna kreeg ik weer een psychose en ben ik opgenomen in Eikenstein. Ik heb hier een half jaar in een isoleercel opgesloten gezeten. Dat was een verschrikkelijke tijd, je hebt geen contact meer met andere mensen en ik werd slecht verpleegd. In de isoleercel was verder niks aanwezig alleen een kartonen doos als toilet. Ik kreeg zo’n dorst van de (medicijnen)Lithium en niks te drinken dat ik mijn eigen urine heb gedronken. In Nederland wordt veel vaker geïsoleerd dan in het buitenland. Ik vond het onmenselijk. 

Daarna ben ik naar Lagerhout verhuisd, dat is ook op het terrien van Zuidlaren, daar was de verzorging veel beter. Mocht daar veel meer, daar kon ik ’s nachts gewoon rondlopen als ik niet kon slapen. Door mijn manische depressiviteit ben ik zo vaak opgenomen geweest. En het heeft een grote stempel op mijn leven gedrukt. De dichtregel “Ik ben geboren in zonnegloren in een zucht van een ziedende zee” slaat precies op mij. 

Tijdens mijn opnames is mijn goede vriend Roel Veldhuis trouw langs blijven komen. Sinds een aantal jaren is hij nu mijn bewindvoerder en regelt mijn lopende zaken. Hij heeft nu gezondheidsklachten, ligt in het ziekenhuis met een longontsteking, maar anders probeert hij elke zaterdag langs te komen. 

Sinds drie jaar heb ik een eigen kamer in Zonneheuvel met een badkamer. Heb nu weer een eigen muziekinstallatie en mag graag naar klassieke muziek luisteren en ik ben gek op de muziek van Bill Haley. Met mijn ziekte gaat het nu wel goed, de medicijnen die ik nu gebruik werken goed. Maar ik heb wel andere gezondheidsklachten. Kan moeilijk ademen wegens problemen met de longen. Ik heb longemfyseem en moet eigenlijk stoppen met roken. 

Ik ben nu al ouder dan mijn vader geworden, die is te vroeg overleden en maar 59 geworden, maar ik hoef niet zo oud te worden als mijn moeder die is maar liefst 89 geworden. Ik heb haar altijd trouw bezocht, als het kon bijna iedere dag. 

Ik heb niet veel wensen meer. Ben achttien jaar getrouwd geweest, daarna gescheiden en nu mis ik het best wel, met een leuke vrouw samen te leven. Er is teveel gebeurd in mijn leven. Het leven is voor mij zwaar geweest en ook toen het goed ging was het moeilijk. Ik heb 4 keer geprobeerd zelfmoord te plegen, een keer met medicijnen en mij een keer opgehangen. ik ben wel blij dat het niet gelukt is. Verder hoop ik dat de isoleercellen weggaan, dat was zo verschrikkelijk, ik wordt nog altijd kwaad als ik daar aan terug denk. Ik heb geen mooi leven gehad, het is zwaar, veel te zwaar geweest.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Indringende herinneringen – de emoties

“Indringende herinneringen – de ontwikkeling van klachten na een verkrachting” is een boek van Bernardine Ensink en Willy van Berlo (Eburon, Delft 1999, ISBN 90-5166-752-3).
Het boek gaat over verkrachte vrouwen, maar het zou evengoed om verkrachte mannen kunnen gaan. De symptomen verschillen niet zozeer van elkaar. Schuld- en schaamtegevoelens spelen zowel bij verkrachte vrouwen als verkrachte mannen een belangrijke rol. 

Ik heb op het VK-blog een bijdrage gepubliceerd met de titel “Verkrachting, het laat je nooit meer los.” Daarin schrijf ik hoe ik als 16-jarig jochie door een man ben verkracht en wat dat met mij heeft gedaan, en nu – als 54-jarige – nog altijd doet.
Als gevolg van die bijdrage heb ik veel reacties ontvangen van mensen – mannen en vrouwen – met vergelijkbare ervaringen.
Dat bracht mij op het idee om een selectie te maken van onderzoek dat naar dit fenomeen is gedaan. Ik heb niet in chronologische volgorde geselecteerd, maar ben begonnen met het onderwerp dat veel verkrachte mensen nog altijd parten speelt, ook al is het misschien tientallen jaren geleden dat de feitelijke verkrachting heeft plaatsgevonden: de emoties.

Omslagtekst van het boek:
Vrouwen die een verkrachting of een poging daartoe hebben meegemaakt, zijn meestal een periode van slag. Ze voelen zich gespannen en angstig en kunnen last hebben van nachtmerries over de verkrachting. Bij sommige slachtoffers nemen deze klachten in het halve jaar na de verkrachting behoorlijk af, terwijl anderen klachten blijven houden. De vraag hoe dit komt, vormt de kern van deze publicatie. Om deze vraag te beantwoorden zijn slachtoffers tot een jaar na de verkrachting regelmatig geïnterviewd.
In de verschillende hoofdstukken wordt beschreven wat het slachtoffer precies heeft meegemaakt, welke emoties zij heeft ervaren en hoe intens die waren, hoe zijzelf met het trauma is omgegaan, hoe de omgeving op haar heeft gereageerd en hoe zij door politie, justitie en de hulpverlening is behandeld.
Het boek bevat enerzijds veel beschrijvingen en ervaringen, en anderzijds
een wetenschappelijke systematisering van deze ervaringen. Bovendien wordt ander onderzoek op dit terrein besproken, zodat de lezer een overzicht krijgt van de kennis die over verkrachting en de impact daarvan in de loop van de tijd is opgebouwd. Het boek besluit met praktische en beleidsrelevante conclusies.

5.2.3 Aard van de emotionele beleving
We veronderstellen dat de emotie angst één van de emoties is die wordt opgewekt door de verkrachting (zie ook Ensink & Albach, 1983) en zetten vraagtekens bij het gebrek aan aandacht voor de andere uitgelokte emoties, bijbehorende actietendensen en hanteringsstrategieën. In het streven meer aandacht te geven aan de andere door het trauma uitgelokte emoties staan we overigens niet alleen. Ook Foa et al. en Kilpatrick et al. constateerden dat de emotionele herinneringen aan het trauma naast angst ook andere krachtige emoties bevatten, zoals woede, schaamte, afschuw en schuld, maar zij hebben deze constatering niet verder uitgewerkt. Ook Montada (1992) benadrukt dat het belangrijk is al in de eerste fase te kijken naar de specifieke emoties die door het trauma zijn uitgelokt. Het specifieker bestuderen van de diverse emotionele reacties, zoals tegen zichzelf gerichte woede, kwaadheid op anderen, schuld, angst, jaloezie enzovoort is informatiever dan het zich richten op stress. De aard van de emotionele reactie vertelt bijvoorbeeld veel over de manier waarop de getraumatiseerde persoon aankijkt tegen de vraag wie verantwoordelijk was voor de gebeurtenis. 

Welke emotie iemand beleeft, is afhankelijk van het emotieproces, van de manier waarop een persoon een gebeurtenis taxeert; welke aspecten hij of zij benadrukt of veronachtzaamt (Frijda, 1988). Sommige emoties lijken elkaar uit te sluiten. Als iemand bijvoorbeeld in een gevaarlijke situatie het eigen onvermogen om die situatie te beëindigen erg groot acht, dan ontstaat er vrees; als de situatie wordt opgevat als een opzettelijk hinder, waar iets aan gedaan kan worden, dan ontstaat woede. Als iemand de verantwoordelijkheid voor het gebeurde bij een ander legt, zal hij zich niet schuldig voelen. Als iemand zichzelf verantwoordelijk acht voor het gebeurde dan zal hij geen woede ten opzichte van derden voelen.
Omdat de traumatheorieën die in hoofdstuk 1 behandeld zijn zich centreren rond de emotie angst, zullen we in deze paragraaf ingaan op andere emotionele reacties. 

Woede ten opzichte van de dader
Woedende reacties kunnen verwacht worden bij persoonsgerichte delicten, zoals pogingen tot doodslag, fysieke mishandeling en seksuele mishandeling/misbruik. Woede impliceert immers dat men een bedreigende situatie als veranderlijk inschat en dat de verantwoordelijkheid bij de dader wordt gelegd. Bij persoonsgerichte misdrijven had/de dader anders kunnen handelen. Trauma’s die zijn ontstaan na natuurrampen, zoals aardbevingen, windhozen en overstromingen, zullen eerder angst en minder snel woedereacties uitlokken, Zo valt op basis van Frijda’s emotietheorie te verwachten. Volgens Frijda’s emotietheorie impliceert de emotie woede dat er sprake was van een bedreigende situatie waarbij het slachtoffer inschatte dat er anders gehandeld kon worden. Bij een dergelijke taxatie bereidt het lichaam zich automatisch voor op het aangaan van het gevecht. Als woede de dominerende emotie is na een traumatische ervaring dan zullen herinneringen aan het trauma gepaard gaan met ‘woedestructuren’ met bijbehorende lichamelijke voorbereidingen en gedragstendenties. Deze woedestructuren kunnen er toe leiden dat het slachtoffer snel met een ‘vechtreactie’ reageert, en prikkelbaar en snel geïrriteerd is. Via het principe van de klassieke conditionering kunnen allerlei situaties een verhoogde prikkelbaarheid en woedeaanvallen uitlokken. Dit kan een geconditioneerde respons zijn, waar de persoon zelf weinig invloed op kan uitoefenen. Woedegevoelens kunnen sociaal niet aanvaardbaar zijn voor het slachtoffer. Vooral voor vrouwen is woede een sociaal niet zo geaccepteerde emotie. Horowitz (1976 [1986]) merkt op dat woedegevoelens bij getraumatiseerden vaak schaamte- en schuldgevoelens opwekken. De persoon geeft dan als het ware een disfunctionele betekenis aan woedegevoelens en zal daarom toch zoveel mogelijk de herinneringen die woedegevoelens uitlokken vermijden.

Schaamtegevoelens
Volgens Van Dale is schaamte het gevoel van onbehagen dat iemand vervult bij het gezien, bekend of openbaar worden van dingen aan hem, handelingen van hem of toestanden om hem die met de eerbaarheid, het fatsoen of de zedelijkheid in strijd zijn, of die hem verachtelijk doen schijnen bij anderen. Bij schaamtegevoelens bekijkt men zichzelf door de ogen van een ander. Het treedt op als men iets doet dat niet gedaan had mogen worden, iets dat men moreel verwerpelijk vindt. Bij schaamtegevoelens speelt het oordeel van anderen een belangrijke rol en zal de persoon proberen de eigen gedragingen zoveel mogelijk te verbergen. Volgens Darwin (1889 [1999]) is de actietendens die bij schaamte hoort het wegdraaien van het lichaam en dan vooral van het gelaat, dat men op de een of andere manier tracht te verbergen. Mensen die zich schamen wenden hun blik af en kijken naar de grond of verstoppen zich. De Nederlandse uitdrukking ‘van schaamte in de grond zinken’ geeft de intensiteit van schaamtegevoelens en de daarbij behorende gedragstendentie weer. ‘Gum België uit’, luidde een krantenkop na de ontsnapping van Dutroux. Volgens Darwin gaat schaamte gepaard met fysiologische arousal, zoals een versnelde hartslag en een verstoorde ademhaling en met blozen. Bovendien hebben sommige mensen die zich schamen last van ontreddering en geestelijke verwarring. 

Schaamte wordt gebruikt in de opvoeding van kinderen met het doel ze te laten gehoorzamen aan sociale normen (Leith & Baumeister, 1998). Schaamte wekt volgens deze auteurs ‘distress’ op. Mensen die geneigd zijn zich te schamen, hebben ook een laag gevoel van eigenwaarde. Schaamte heeft op het totale zelfbeeld betrekking en dit gevoel biedt geen handvaten voor een betere aanpak van een situatie. Gevoelens van schaamte voorkomen dat men probleemoplossend te werk gaat in sociale conflictsituaties. De enige manier om ‘distress’ ten gevolge van schaamte te verminderen, is volgens Leith en Baumeister het ontkennen van eigen verantwoordelijkheid, het vermijden van andere mensen, en een klap uit te delen aan de mensen die er mee te maken hebben dat men zich schaamt. 

In culturen waar schaamte een belangrijke rol speelt, staan begrippen als eer, eerbaarheid en reputatie centraal. De eer en de reputatie van een vrouw hingen in de Middeleeuwen vrijwel uitsluitend af van haar gedrag op seksueel gebied (Oostrom, 1987). Onze woordenschat getuigt van een geschiedenis waarin er een nauwe relatie bestaat tussen seksualiteit en schaamte. Neem bijvoorbeeld de woorden schaamstreek, schaamlap enzovoort. Van Dale geeft duidelijke voorbeelden van de betekenis van het woord schaamte. ‘Adam en Eva waren beiden naakt en zij schaamden zich niet’. ‘Een jong meisje moet schaamachtig zijn’, ‘maagdelijk schaamte’. De uitdrukking ‘je moest je schamen’ is een normale, sterke uitdrukking van afkeuring van het gedrag van iemand. 

Zedendelicten, zoals verkrachting en seksueel misbruik, zijn bij uitstek trauma’ s die schaamte oproepen als men dit trauma bekijkt door een historische bril. Het gaat immers om vernederingen en kwetsbaarheid op seksueel terrein; een terrein dat traditioneel de eer en de reputatie van vrouwen bepaalt, waarvan de normen, waarden en gedragsregels bij een overtreding vooral in stand werden gehouden door middel van het benadrukken van de schaamtegevoelens.
Horowitz beschrijft hoe mensen zich intens kunnen schamen voor de eigen kwetsbaarheid of voor de problemen die ten gevolge van een trauma zijn ontstaan, maar hij geeft geen voorbeelden van schaamtegevoelens in verband met verkrachting. Niet alleen Horowitz blijkt weinig aandacht te besteden aan schaamte in relatie tot verkrachting en seksueel misbruik, ook in andere standaardwerken over verkrachting wordt er nauwelijks op ingegaan (Brownmiller, 1975; Herman, 1992; Janoff- Bulman, 1997). 

Schuldgevoelens
Als iemand na een verkrachting last heeft van sterke schuldgevoelens, dan betekent dit een pijnlijke zelfwaardering naar aanleiding van een handeling waarvoor de persoon zichzelf verantwoordelijk acht. Het schuldgevoel bestaat uit die zelfwaardering. Schuldgevoel verwijst dus naar een handeling die een persoon moreel negatief waardeert, die hij of zij aan eigen opzettelijk gedrag toeschrijft (‘ik had anders kunnen handelen’) en waarvan de dader (ik) slecht en verkeerd was. Intens schuldgevoel leidt tot enkele vaststaande gedragspatronen: zichzelf pijn doen,’ boetedoening of zelfs het verwijderen van zichzelf door een zelfmoordpoging (Frijda, 1988). 

De vraag wie schuldig is voor het ontstaan van een traumatische of andere nare gebeurtenis is een universele vraag die vrijwel altijd een grote rol speelt na een traumatische gebeurtenis. Slachtoffers van trauma’s stellen zich vragen als ‘waarom gebeurde dit?’ en ‘waarom gebeurde dit mij’? Hierdoor confronteren slachtoffers zichzelf met het trauma en proberen ze er een betekenis aan te geven. Voor het herstel van een trauma of een andere nare gebeurtenis is het van essentieel belang dat men een antwoord vindt op deze vragen. Een herstelproces wordt belemmerd als er een discrepantie is tussen de objectieve situatie en de wijze waarop de vraag ‘waarom gebeurde dit mij’ wordt beantwoord. Door zichzelf de schuld te geven, terwijl daar objectief gezien geen reden voor is, worden gevoelens van hulpeloosheid, onbeheersbaarheid van de situatie en kwetsbaarheid vermeden, alsmede gevoelens van kwaadheid ten opzichte van anderen die verantwoordelijk zijn voor het gebeurde. Het slachtoffer dat zich ten onrechte schuldig voelt, richt de kwaadheid op zichzelf en dit bemoeilijkt het verwerkingsproces. Als het slachtoffer terecht de verantwoordelijkheid voor het trauma bij de ander legt, dan wil dit nog niet zeggen dat zij spoedig herstelt. Als het slachtoffer geen recht verkrijgt dan heeft ze er nog een probleem bij: sterke wrokgevoelens interferen ook met een spoedig herstelproces (Montada, 1992). 

Ook de omgeving van het slachtoffer stelt zichzelf de ‘waarom’ vraag.
Als mensen oordelen dat het slachtoffer geen schuld heeft aan wat haar is overkomen dan zijn ze geneigd haar te steunen. Denken de mensen dat het de schuld van het slachtoffer zelf is, dan zal het slachtoffer weinig steunende reacties krijgen. Mensen oordelen vaak heel verschillend over de schuld~ vraag. Slachtoffers die zichzelf verantwoordelijk achten voor een situatie oogsten vaak meer bijval van anderen dan de mensen die een ander verantwoordelijk achten. Het zichzelf mede verantwoordelijk achten voor een situatie wordt vaak opgevat als een opening om problemen op te lossen (Leith & Baumeister, 1998). 

In de loop van de geschiedenis zijn allerlei ideeën ontstaan over de schuldvraag bij verkrachting. Voor vrouwen golden allerlei beperkende gedragsvoorschriften, en als zij zich niet aan die voorschriften hielden, liepen zij het risico op het beschadigen van hun reputatie en waren ze medeverantwoordelijk voor hetgeen hen overkwam. In een Amerikaans onderzoek uit 1980 beschrijft Burt allerlei verkrachtingsmythen, waarin de verkrachting niet wordt erkend en het slachtoffer zelf de schuld krijgt. Personen met traditionele sekserolopvattingen zijn eerder geneigd in verkrachtingsmythen te geloven dan anderen. De oordelen over de verkrachting die de vrouw eerder in haar omgeving heeft gehoord, kunnen impliciet in haar eigen reacties op dit trauma verdisconteerd zijn. Zowel Resick en Schnicke (1993) als Herman (1992) leggen een relatie tussen de oordelen van de omgeving over het gedrag dat vrouwen behoren te hebben om een verkrachting te voorkomen en de schuldgevoelens die vrouwen ontwikkelen. Zo schrijft Herman dat verkrachtingsslachtoffers zichzelf vaak de schuld geven, omdat zij zich in een situatie begeven hebben waarin ze een risico lopen of omdat ze zich niet goed genoeg verzet hebben. Dit komt overeen met de argumenten die verkrachters gebruiken om ‘vrouwen de schuld te geven of om de verkrachting te rechtvaardigen (Herman, p.68). 

In Nederland hebben vooral Winkel en medewerkers onderzoek gedaan naar deze impliciete vooroordelen rond verkrachtingsslachtoffers. Zij hebben gekeken naar de condities waaronder een verkrachtingsslachtoffer geloofwaardig dan wel medeschuldig wordt bevonden aan de verkrachting.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Kenmerken van hooggevoeligheid

Wat is hooggevoeligheid eigenlijk precies? Bij het beantwoorden van deze vraag kunnen we niet om Elaine N. Arons (Ph.D.) werk heen. Zij was het die de term ‘hooggevoeligheid’ bedacht en er bekendheid aan gaf. Zij deed belangwekkend onderzoek waarop anderen, waaronder ikzelf, voortborduren. Aron kwam tot de conclusie dat deze karaktertrek onder 15 tot 20 procent van alle mensen wereldwijd voorkomt. Zowel onder mannen als onder vrouwen. Door middel van tests onder zuigelingen, kinderen en volwassenen, door middel van gesprekken met mensen die zichzelf meer dan gemiddeld gevoelig noemden kwam veel zinvolle informatie naar boven. Aron herlas de bestaande psychologische literatuur; langs die weg bekeek ze nauwkeurig welke begrippen duidden op dit fenomeen. Elaine Aron maakte van hooggevoeligheid haar levenswerk. Vanuit haar wetenschappelijke perspectief en de Jungiaanse psychoanalyse ontwikkelde zij een kader waarbinnen hooggevoeligheid zeer nauwkeurig gedefinieerd kon worden. 

Hooggevoeligheid begint bij de meeste mensen met het gevoel anders te zijn dan anderen. Waarin hooggevoelige mensen zich anders voelen is vaak moeilijk uit te drukken. Het begint meestal vanaf het eerste moment dat ze zich kunnen herinneren en ze zijn er zo mee verweven dat ze het gevoel anders te zijn dan anderen niet goed kunnen benoemen. Het is een gevoel, een ervaring, een besef dat hen danig in de weg kan zitten en dat vaak (niet altijd) voor moeilijkheden en problemen zorgt. Zo sterk dat sommigen zich wel eens vertwijfeld afvragen: ben ik soms gek?
Toch heeft het weinig met gekte te maken. Gevoeligheid is een eigenschap van het zenuwstelsel in combinatie met de hersenen. Ergens in het proces van verwerking, tussen het binnenkomen van een prikkel en het verwerken ervan door de hersenen, loopt het bij hooggevoelige personen anders dan bij de meeste mensen. De informatieverwerking van een hooggevoelige werkt op de één of andere manier uitgebreider en nauwkeuriger dan bij de gemiddelde persoon. Hooggevoeligen hebben daarmee dus niet zozeer betere zintuigen maar ze verwerken hun zintuiglijke indrukken vooral complexer. Aron maakt de vergelijking met een sorteermachine: ‘Een hooggevoelig persoon sorteert prikkels in tien varianten terwijl iemand anders slechts twee of drie varianten waarneemt.’ Hooggevoeligheid is hoogstwaarschijnlijk een erfelijke eigenschap. Je wordt er dus mee geboren. 

Hooggevoelige mensen nemen allerlei subtiele nuances waar die anderen missen. Waar een ander niet bij stilstaat of zelfs van geniet, zoals harde muziek of drukke menigten, indringende sirenes, felle lichten, vreemde geuren en winkelchaos, kan in een hooggevoelig persoon een heftige reactie geven. Hij of zij raakt overprikkeld. Wanneer zo’n overprikkeling of over stimulatie lang aanhoudt, volgt een stresssituatie. Wanneer en bij wie overstimulatie tot stress leidt, is weer heel individueel en afhankelijk van andere factoren. Factoren die hierbij meespelen zijn bijvoorbeeld de opvoeding, ‘aanpassingsstrategieën’ en andere eigenschappen die iemand heeft. Maar ook leeftijd speelt een rol in hoeveel iemand aankan. Kinderen kunnen doorgaans meer indrukken verwerken dan ouderen. Gevoeligheid neemt meestal met de jaren toe. Dit geldt overigens voor alle mensen, hooggevoeligen en niet-hooggevoeligen.
De term hooggevoeligheid is door Aron bedacht en is vriendelijker en neutraler dan het woord overgevoelig. Overgevoelig betekent in feite dat de eigenschap te veel van het goede is. Hooggevoeligheid is, zo zul je gaandeweg lezen, niet te veel en ook niet verkeerd. Net als iedere andere eigenschap is hooggevoeligheid een karaktertrek die zowel positief als negatief uitgelegd kan worden, afhankelijk van waar je op focust. Wie hooggevoelig is, heeft veel potentie om deze gevoeligheid op indrukwekkende wijze in te zetten op vele terreinen van zijn leven. Een hooggevoelig persoon kan deze eigenschap tot een gave maken. Wie hooggevoelig is, moet wel zorgen dat zijn omgeving overeenkomt met zijn behoeften. Dit is een uitdaging waar mensen met een sensitief karakter voor staan.

Een hooggevoelig persoon heeft in de eerste plaats meer tijd nodig dan de gemiddelde mens. Dit is puur vanwege het feit dat de hoeveelheid prikkels die op hem afkomen voldoende verwerkt dienen te worden. Het gaat hier om zintuiglijke informatie die je binnenkrijgt via je ogen, oren, neus en tast en informatie die vanuit je eigen organisme komt: vanuit je gedachten, je gevoelens, je organen. Kortom alle lichamelijke, geestelijke, emotionele en spirituele gewaarwordingen. Voor verwerking is tijd nodig en die heb je niet altijd. De tijd en de rust die je neemt om alle indrukken te verwerken, bepaalt in wezen al een deel van je persoonlijkheid. Ben je iemand die zich veelvuldig terugtrekt om te overwegen, te bezinnen, te broeden en te dromen of gun je jezelf helemaal geen tijd en ren je van de ene ervaring in de andere? De eigenschap hooggevoeligheid in combinatie met de mate van activiteit die je in je leven ontplooit, kan grote invloed uitoefenen op de mate waarin je je gelukkig voelt met het leven dat je leidt en de mate waarin je je in balans voelt. Er zijn hooggevoelige mensen die erg ondernemend en actief zijn en er zijn hooggevoeligen die het rustiger aan doen. 

Een kleine samenvatting is hier op zijn plaats. Voordat we verdergaan, geef ik enkele in het oog springende eigenschappen die bij hooggevoeligheid horen. Het hoeft niet zo te zijn dat een hooggevoelige zich in al deze deugden herkent; het zijn slechts mogelijke uitvloeisels van deze karaktertrek. 

Hooggevoeligen:
- merken veel details en subtiliteiten op
- voelen stemmingen van anderen aan
- hebben een rijke innerlijke belevingswereld
- dromen, fantaseren en overwegen veel
- zijn zorgzaam en bewust
- doen dingen graag in hun eigen tempo
- worden door schoonheid en kunst diep beroerd
- houden van stilte en rust. 

Alle mensen zijn bijzonder, hooggevoeligen zijn niet bijzonderder dan anderen. Toch hebben ze vaak een existentieel gevoel anders te zijn en niet goed begrepen te worden. Herken je je tot nu toe een beetje in het patroon? Of herken je iemand anders in de beschrijving? Een opsomming van voorbeelden die jouw leven gecompliceerd kunnen maken, kan verhelderend werken.
- Het kan zijn dat je last hebt van storingen uit je omgeving die anderen niet schijnen op te merken.
- Harde geluiden onttrekken je aan jezelf.
- Van een kennis, vriend of vriendin met (on)uitgesproken negatieve gevoelens raak jij van slag.
- In contact met iemand anders lijk je volkomen leeg te lopen.
- Een paar uur winkelen brengt je aan de grens van je vermogen. Je wilt naar huis, je in eenzaamheid terugtrekken en niets meer aan je hoofd hebben.
- Door zoiets als honger ben je snel uit je doen, je wordt snauwerig en licht in je hoofd.
- Werken in een hectische kantooromgeving kost jou veel meer energie dan je collegae.
- Onvriendelijke opmerkingen kunnen je snel van streek maken. Daarentegen voel je je diep bewogen door een hartelijke attentie.
- Je hebt gauw last van stressverschijnselen zoals maagpijn, onrustige darmen, hoofdpijn, kriebelende zenuwen of een andersoortig gevoel van onbehagen.
- Gevoelens van boosheid, verdriet of vertwijfeling nemen snel een loopje met jou. 

Zie het zo: de meeste mensen varen door het leven zoals tankers door de zee. Terwijl hooggevoelige mensen net zeilboten zijn. Tegenwind of een hoge golfslag, er hoeft maar iets te gebeuren of ze raken van hun koers af. Aan de andere kant zijn het levensgenieters die hun tocht als een spannende reis ervaren. Het varen is tot kunst verheven. Het overstag gaan is wezenlijk voor een hooggevoelige: bakboord en stuurboord bieden afwisseling en inzicht.
Een hooggevoelige wandelt op het koord van een evenwichtskunstenaar; iedere stap is essentieel. Een hooggevoelige vrouw schrijft over zichzelf: ‘Mijn leven lang zijn er al “kleinigheden” die mij bijzonder opwinden, terwijl anderen er helemaal geen last van schijnen te hebben. Ik kan absoluut niet tegen kleding met elastiek rond mijn polsen en taille of etiketjes in mijn nek. Mijn horloge bungelt los rond mijn pols.
Er zijn ontelbaar veel soorten voedsel die ik vermijd vanwege hun structuur, niet eens door de smaak. Zo hou ik bijvoorbeeld van tomatensaus op de spaghetti maar ik kan absoluut geen stuk rauwe tomaat eten. Hetzelfde geldt voor een aantal vruchten die ik vanwege hun specifieke structuur niet weg krijg. Een rauwe appel vind ik lekker, maar ik ga over mijn nek van een gebakken appelschijf. Uit eten gaan is een ramp voor mij en mijn tafelgenoot, want ik moet precies weten wat ergens in zit, voordat ik kan eten. Mijn maag en darmen zijn gevoelig en reageren op ongewoon gekruid voedsel, zoals zij ook overstuur raken van stress.’ 

Niet alleen tastbare en zichtbare prikkels beïnvloeden je als hooggevoelig persoon. Ook minder goed verklaarbare dingen merk je als hooggevoelige op. Stemmingen van anderen kunnen je bijvoorbeeld in grote mate bezighouden. De meeste mensen komen een kamer binnen en merken misschien het meubilair en de mensen op, jij bent je onmiddellijk bewust van de persoonlijkheid die in deze kamer leeft. Of je voelt dat iemand niet eerlijk is. Dat kan je erg van streek maken. Je merkt ook goed de onzekerheden van anderen op, of onuitgesproken vijandelijkheden in intermenselijk contact. Aan de andere kant voel je goed aan wat iemand anders nodig heeft en je staat onmiddellijk klaar die persoon van dienst te zijn. Dat maakt je misschien tot een bijzonder altruïstisch type. Misschien vinden anderen je daarom zo aardig en delen ze graag hun problemen met jou. Zeker wanneer jouw gave aan het paranormale grenzen je veel tijd en energie steken in het waarnemen van andermans behoeften en emoties. Soms leidt dit tot uitputting van jezelf. 

De gevoelens van anderen kunnen zodanig op je inwerken dat je soms niet meer kunt onderscheiden of deze van jezelf of van de ander afkomstig zijn. Je weet niet meer goed wat bij jou hoort en wat bij de ander. Er vindt een vervloeiing plaats tussen jou en de ander. Het verwart je misschien. Of je merkt het niet op maar realiseert je pas achteraf dat het je denken, voelen of handelen heeft bepaald. Misschien heb je op basis daarvan wel beslissingen genomen die je achteraf betreurt. Mogelijkerwijze leef je in conflict met jouw verantwoordelijkheidsgevoel, dat je zelfs als een schuldgevoel kunt bestempelen. Soms zijn anderen er erg goed in een beroep op dit gevoel te doen en je op te zadelen met zaken die niet bij jou thuishoren. Het zijn allemaal mogelijkheden, natuurlijk zijn het geen wetten. Ze komen soms voor, soms ook niet. 

Heel eenvoudig gezegd is het opmerken van details het meest wezenlijke in de aard van een hooggevoelig persoon. Het zijn de details die kunnen overweldigen en kunnen boeien. Het zijn de details die van hem (of haar) een attent en opmerkzaam persoon maken, die hem kunnen puzzelen en bezighouden tot hij moe en gefrustreerd is van het piekeren, die van hem een hardwerkende en verantwoordelijke werknemer maken, soms op het perfectionistische af. Details maken het leven waardevol, zij richten de geest naar binnen, maken stil en intens. Iemand die zich bewust is van alle details overweegt eerst voordat hij handelt, neemt bewust keuzen en weet dat de dingen complexer zijn dan ze schijnen. Een andere consequentie van opmerkzaamheid voor details is dat iemand idealiter veel opmerkt van wat in zijn lichaam gebeurt. Een hooggevoelig persoon heeft vaak een lagere pijn- en tolerantiegrens. Heeft mogelijk vage klachten die de arts niet kan diagnosticeren. Misschien vindt zijn arts hem na verloop van tijd een aanstellerig, overgevoelig typje. 

Er zitten vele kanten aan deze eigenschap of karaktertrek. Wat een hooggevoelige ook kan kenmerken, is dat hij (of zij) meer dan de mensen om hem heen behoefte heeft aan bezinning, schoonheid en diepgang. Hij mediteert of doet aan yoga, is in kunst of muziek geïnteresseerd, voelt zich verantwoordelijk voor het milieu of voor de minder bedeelden in de samenleving. Zo iemand houdt zich waarschijnlijk meer dan gemiddeld bezig met de dingen die er werkelijk toe doen, zoals zingevende activiteiten, omdat hij zich hierin verbonden voelt met andere mensen, met de levenscheppende natuur of met de adem die door het leven stroomt. Hooggevoeligen kunnen, wanneer ze goed gebalanceerd zijn, rust en wijsheid bieden aan zichzelf en anderen, en anderen wijzen op de noodzaak om tijdig naar de essentie terug te keren, wat dat dan ook mag zijn. Ze kunnen een voorbeeld zijn als het gaat om aandacht en zorgzaamheid. Door hun oog voor detail letten zij op het proces en niet alleen op het einddoel. Zij kunnen anderen voorhouden dat het in het leven gaat om het hier en nu, en niet uitsluitend om de toekomst of het verleden. Dat het ook om geloof, spiritualiteit en bezinning gaat en niet alleen om materie en geld. 

De vanouds met liefde vertrouwden zijn fijnbesnaard, gevoelig, diep, ondoorgrondelijk. Door hun ondoorgrondelijkheid zijn zij slechts als volgt te omschrijven: 
zo voorzichtig alsof zij een winterse stroom oversteken, 
zo aarzelend alsof zij de roddel van alle buren vrezen, 
zo ingetogen alsof zij slechts op bezoek zijn, 
ontdooiend als smeltend ijs, massief als een ruw blok, 
diep en weids als een vallei, 
ondoorzichtig als troebel water.
troebelheid wordt geklaard door bezinking, 
wat rust wordt opgewonden door beroering.
(Lao Tse, Tao Te King) 

Herken je jezelf in het beeld van een hooggevoelige? Dan zocht je waarschijnlijk als kind al de stille plekjes in het bos op om jezelf te troosten of om de verbinding met de prachtvolle natuur te ervaren? Of bracht mooie muziek je intens in vervoering? Daarentegen keerde je je misschien af van geweld, onrecht en onzuiverheid? Misschien voelde je je als kind in deze gevoelens van beroering alleen staan, paste je met je gevoelige voorkeuren niet in het populaire plaatje en werd je gepest. Het is inmiddels bekend dat veel hooggevoeligen wanneer ze jong zijn behoorlijk moeten opboksen tegen de verwachtingen van anderen; van opvoeders en medescholieren. Als ze heel jong zijn, zuigeling of peuter, hebben ze weinig te vertellen en worden ze gedeeltelijk gevormd naar het beeld dat de ouders van hen hebben. Soms met goede, soms met kwade gevolgen. Sommigen komen met flinke kleerscheuren uit hun jeugd tevoorschijn wanneer de hooggevoeligheid onvoldoende werd begrepen. Het hooggevoelige kind werd tot voor kort niet waargenomen. Het werd verlegen, overgevoelig of ‘anders’ gevonden, maar dat doet tekort aan wie het werkelijk is. Gelukkig komt hier nu verandering in. Met de ervaringen van hooggevoelige volwassenen kunnen we beter een op het kind gerichte begeleiding formuleren, zodat het hooggevoelige kind in de toekomst in zijn eigenheid kan schitteren. 

Zoek je avontuur of zoek je rust?
Aron maakt in haar theorie onderscheid tussen twee andere typen persoonlijkheden, namelijk die van de sensation seekers (spanningzoekende type) en die van de rustzoekers. Dit onderscheid is een algemeen erkend onderscheid binnen de psychologie. Sensation seekers worden ook wel thrill seekers genoemd. Het zijn de mensen die altijd weer op zoek zijn naar nieuwe en intense ervaringen. Zij doen spannende en gevaarlijke sporten, houden van avontuurlijke reizen, hebben indrukwekkende levenslopen en zijn altijd op zoek naar nieuwe inzichten en gewaarwordingen. Zij zijn bereid hiervoor fysieke, sociale, wettelijke en financiële risico’s te nemen. Hooggevoeligheid en sensation seeking hoeven elkaar niet uit te sluiten. In één persoon kunnen beide eigenschappen samenkomen! 

Herken je je in deze mix van beiden dan ben je waarschijnlijk veelzijdig, je hebt een hooggevoelig bewustzijn in combinatie met een grote gedrevenheid. Je zult waarschijnlijk snel overprikkeld zijn maar ook snel verveeld. Je kunt hierdoor nogal eens in conflict met jezelf raken. Omdat je op zoek bent naar nieuwe ervaringen en nieuwe kicks zoek je de gevaren en de uitdagingen op, maar omdat je niet telkens zo opgejaagd en gestresst wilt raken zou je je eigenlijk meer moeten terugtrekken. Misschien heb je in het verleden té grote risico’s genomen en ondervind je hier nu de gevolgen van. Jij staat meestal met één voet op het gaspedaal en met één voet op de rem. Of je bent aardig door het leven en door je eigen levensstijl aangedaan geraakt. Dit is meestal het geval wanneer je je hooggevoeligheid nog niet onderkend hebt. 

De andere variant is dat je hooggevoelig bent en niet zo’n thrill of sensation seeker. Je bent dan doorgaans beschouwend van aard, ingesteld op overweging, je voelt je meer gelukkig bij een kalm leventje. Je bent waarschijnlijk niet impulsief, je doet de dingen meestal in één keer goed en je houdt er niet van om op welk terrein dan ook grote risico’s te nemen. Jouw leventje is overzichtelijk en regelmatig. Bij jou bestaat het gevaar dat je je te veel terugtrekt en de wereld en voedende relaties mijdt. 

Een derde variant is de combinatie van minder gevoelig (niet hooggevoelig) met het sensation seekers-type. Deze mensen zijn nieuwsgierig, gedreven, impulsief, nemen snel risico’s en vervelen zich gemakkelijk. Ze zijn zich niet zo bewust van de details in een situatie en zijn er ook niet in geïnteresseerd. Ze hebben dan ook minder last van de gevolgen die de risico’s met zich meebrengen. Als zij een keer een flinke klap oplopen, in het oerwoud verdwalen of een som geld verliezen, zijn ze minder uit het lood geslagen dan een hooggevoelig persoon. 

Ten slotte heb je nog de minder gevoeligen die voornamelijk rust en gelijkmatigheid zoeken. Zij zijn niet echt nieuwsgierig, staan ook niet bijzonder stil bij de dingen die zich voordoen. Zij zijn eerder ongecompliceerd, eenvoudig en spontaan. Zij leven het leven zoals het komt.

Wanneer je hooggevoelig bent en je herkent je in beide menstypen dan heb je waarschijnlijk een gezonde balans weten te vinden of bewaren tussen activiteit en rust. Net als de seizoenen, leef je min of meer in overeenstemming met de natuurlijke cycli. Je weet waarschijnlijk voldoende mogelijkheden te ontplooien om jezelf naar buiten te richten, op te bloeien en in actie te komen, maar je voelt ook op tijd wanneer je tijd en ruimte nodig hebt voor inkering en rust. Je voelt de noodzaak tot transformatie op gezette tijden. Je kent de voordelen van samen zijn en van alleen zijn. Je zult wel altijd alert moeten blijven dat je de boel in balans houdt en dat je blijft laveren tussen de verschillende kwaliteiten. Waarschijnlijk is het leven niet vanzelfsprekend maar kun je er heel wel mee omgaan.

Hooggevoeligheid is dus niet hetzelfde als introversie, een term die Carl Jung definieerde en die zoveel betekent als de neiging naar binnen gekeerd te zijn, weg van de wereldse zaken. Introverte persoonlijkheden hebben veruit meer behoefte om de stille plekjes op te zoeken en daar diep na te denken. Jung stelde dat een introvert persoon de wereld van het innerlijke als reëler en waardevoller ervaart dan de buitenwereld. Dit hebben hooggevoeligen in wezen ook, echter niet altijd. Ook een hooggevoelig persoon houdt ervan om diep na te denken over hetgeen hij of zij ervaart, zodat het nadenken zelf (voorzien van rijke betekenissen) bijna nog meer gewaardeerd wordt dan het ervaren. Desondanks is een hooggevoelig persoon niet per definitie introvert. Dat moet duidelijk zijn geworden uit het hierboven geplaatste schema. Aron ontdekte dat ongeveer dertig procent van de mensen die zichzelf hooggevoelig noemen extraverte persoonlijkheden zijn. Zo zie je maar weer. De dingen zijn complexer dan de termen soms doen vermoeden. 

Hooggevoeligheid is ook niet synoniem aan verlegenheid, ondanks dat vele hooggevoeligen zich wel verlegen voelen of dat stempel kregen in hun jeugd. Er is tot nog toe geen enkel bewijs geleverd dat mensen verlegen geboren worden. Verlegenheid is eerder een gevolg van een benadering van de persoonlijkheid. Verlegenheid komt voort uit de angst om be- of veroordeeld te worden. Verlegenheid kan dus ontstaan door negatieve ervaringen. Introversie en verlegenheid zijn eerder aanpassingsstrategieën die door bepaalde omstandigheden opgewekt werden. Hooggevoelige personen zijn wél eerder verlegen en/of angstig dan minder gevoelige mensen. 

Mensen zijn nooit in hokjes te plaatsen. Nogmaals, ieder mens is uniek door het samenspel van biologische, psychologische en sociale factoren. Desondanks kan het je inzicht verschaffen en helpen wanneer je je gedrag enigszins kunt plaatsen. Veel hooggevoelige mensen ervaren het als ontlastend en bevrijdend wanneer ze merken dat een geheel aan eigenschappen die ze altijd voor lastig hebben aangezien, benoembaar en daarmee hanteerbaar wordt. Ik raad je aan dit boek te lezen als een gids, eruit te nemen wat je aanspreekt en naast je neer te leggen wat je minder raakt.

Bron: 
Leven met hooggevoeligheid – van opgave naar gave, Susan Marletta-Hart, Ten Have, Baarn 2003, ISBN 90 259 5344 1
 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

(Zelf)diagnose – diagnostische criteria van de DSM-IV-TR

In deze eerste aflevering van de DSM-IV-TR aandacht voor de reactieve hechtingsstoornis en de posttraumatische stress-stoornis (PTSS).
313.89 Reactieve hechtingsstoornis op zuigelingenleeftijd of vroege kinderleeftijd (Reactive Attachment Disorder of Infancy or Early Childhood)
A. Duidelijke gestoorde en niet bij de ontwikkeling passende sociale bindingen in de meeste situaties, beginnend voor het vijfde jaar zoals blijkt uit ofwel (1) ofwel (2):
(1) aanhoudend er niet in slagen de aanzet te geven tot of te reageren op de meeste sociale interacties, op een bij de ontwikkeling passende manier zoals blijkt uit buitensporige geremdheid, overmatige waakzaamheid of sterk ambivalente en tegenstrijdige reacties (bijvoorbeeld het kind kan reageren op verzorgers met een mengeling van toenadering, afstand nemen of weigeren getroost te worden, of kan verstijfd op de hoede zijn) 
(2) Oppervlakkige hechtingen zoals blijkt uit kritiekloze vriendelijkheid met duidelijk onvermogen passende selectieve hechtingen te tonen (bijvoorbeeld buitensporig vrijpostig ten opzichte van betrekkelijk vreemden of een gebrek aan selectiviteit in de keuze van de hechtingsfiguren)
B. De stoornis in criterium A is niet enkel te verklaren door een achterstand in de ontwikkeling (zoals bij zwakzinnigheid) en voldoet niet aan de criteria van een pervasieve ontwikkelingsstoornis. 

C. Pathogene zorg zoals blijkt uit ten minste één van de volgende:
(1) aanhoudende veronachtzaming van de basale emotionele behoeften van het kind aan troost, aanmoediging en affectie
(2) aanhoudende veronachtzaming van de basale lichamelijke behoeften van het kind
(3) herhaald wisselen van de vaste verzorger hetgeen de vorming van een stabiele hechting verhindert (bijvoorbeeld frequent veranderen van pleegzorg) 

D. Er is reden te veronderstellen dat de zorg in criterium C verantwoordelijk is voor het gestoorde gedrag in criterium A (bijvoorbeeld de stoornissen in criterium A volgden op de pathogene zorg in criterium C). 

Specificeer type:
Geremde type: indien criterium Al het beeld overheerst Ontremde type: indien criterium A2 het beeld overheerst.
Ontremde type: indien criterium A2 het beeld overheerst. 

• 309.81 Posttraumatische stress-stoornis (F43.1) (Posttraumatic Stress Disorder)
A. De betrokkene is blootgesteld aan een traumatische ervaring waarbij beide van de volgende van toepassing zijn:
(1) betrokkene heeft ondervonden, is getuige geweest van of werd geconfronteerd met één of meer gebeurtenissen die een feitelijke of dreigende dood of een ernstige verwonding met zich meebracht, of die een bedreiging vormde voor de fysieke integriteit van betrokkene of van anderen
(2) tot de reacties van betrokkene behoorde intense angst, hulpeloosheid of afschuw. N.B.: Bij kinderen kan dit zich in plaats hiervan uiten in chaotisch of geagiteerd gedrag.
 
B. De traumatische gebeurtenis wordt voortdurend herbeleefd op één (of meer) van de volgende manieren:
(1) recidiverende en zich opdringende onaangename herinneringen aan de gebeurtenis, met inbegrip van voorstellingen, gedachten of waarnemingen. N.B.: Bij jonge kinderen kan dit zich uiten in de vorm van terugkerende spelletjes waarin de thema’s of aspecten van het trauma worden uitgedrukt
(2) recidiverend akelig dromen over de gebeurtenis. N.B.: Bij kinderen kunnen angstdromen zonder herkenbare inhoud voorkomen
(3) handelen of voelen alsof de traumatische gebeurtenis opnieuw plaatsvindt (hiertoe behoren ook het gevoel van het opnieuw te beleven, illusies, hallucinaties en dissociatieve episodes met flashback, met inbegrip van die welke voor~omen bij het ontwaken of tijdens intoxicatie). N.B.: Bij jonge kinderen kunnen trauma-specifieke heropvoeringen voorkomen
(4) intens psychisch lijden bij blootstelling aan interne of externe stimuli die een aspect van de traumatische gebeurtenis symboliseren of erop lijken
(5) fysiologische reacties bij blootstelling aan interne of externe stimuli die een aspect van de traumatische gebeurtenis symboliseren of erop lijken.
 
C. Aanhoudend vermijden van prikkels die bij het trauma hoorden of afstomping van de algemene reactiviteit (niet aanwezig voor het trauma) zoals blijkt uit drie (of meer) van de volgende:
(1) pogingen gedachten, gevoelens of gesprekken horend bij het trauma, te vermijden
(2) pogingen activiteiten, plaatsen of mensen die herinneringen oproepen aan het trauma te vermijden
(3) onvermogen zich een belangrijk aspect van het trauma te herinneren
(4) duidelijk verminderde belangstelling voor of deelneming aan belangrijke activiteiten
(5) gevoelens van onthechting of vervreemding van anderen
(6) beperkt spectrum van gevoelens (bijvoorbeeld niet in staat gevoelens van liefde te hebben)
(7) gevoel een beperkte toekomst te hebben (bijvoorbeeld verwacht geen carrière te zullen maken, geen huwelijk, geen kinderen, of geen normale levensverwachting) 

D. Aanhoudende symptomen van verhoogde prikkelbaarheid (niet aanwezig voor het trauma) zoals blijkt uit twee (of meer) van de volgende:
(1) moeite met inslapen of doorslapen
(2) prikkelbaarheid of woedeuitbarstingen
(3) moeite met concentreren
(4) overmatige waakzaamheid
(5) overdreven schrikreacties 

E. Duur van de stoornis (symptomen in B, C en D) langer dan één maand. 

F. De stoornis veroorzaakt in significante mate lijden of beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen. 

Specificeer indien:
Acuut: indien duur van de symptomen korter dan drie maanden is
Chronisch: indien duur van de symptomen drie maanden of langer is 

Specificeer indien:
Met verlaat begin: indien het begin van de symptomen ten minste zes maanden na het trauma ligt

Behorende bij het hoofdstuk over PTSS:

En ik?

De meeste mensen zijn na een ernstig traumatische ervaring behoorlijk van slag en spreiden vermijdingsgedrag ten toon. Dit is volstrekt normaal en heeft zelf adaptieve waarde. Totaal niet op een ramp reageren zou niet menselijk zijn. Integendeel, het opnieuw beleven in gedachten, beelden, en dromen kan een wezenlijk onderdeel zijn van het helingsproces en een manier om het trauma de baas te worden. Het is geruststellend te weten dat ‘ook dit voorbij gaat’, dat uw reactie op het gebeurde normaal was, dat u uw best heeft gedaan het te hanteren, dat de symptomen die u hebt een noodzakelijk en universeel menselijke reactie zijn en in geen enkel opzicht een teken van zwakte of ziekte. Ga ervan uit dat u weer zult opknappen en gewoonlijk zal dat ook zo zijn. Van PTSS is pas sprake als de symptomen langer dan een maand na de gebeurtenis aanhouden. Na een dergelijke ervaring zijn er verschillende dingen die u kunt doen om te helpen voorkomen dat u PTSS ontwikkelt. In het algemeen geldt dat voorkomen beter is dan genezen.
Uw natuurlijke neiging is om te proberen de angstaanjagende herinneringen uit te wissen en alles wat met het gebeurde te maken heeft te vermijden. Waarschijnlijk voelt u zich eenzaam en voelt er weinig voor de gebeurtenis met wie dan ook te bespreken. Dit is vermoedelijk het ergste wat u kunt doen. In plaats van lijdzaam te dulden dat de ervaring u tegen uw wil en zonder dat u er iets aan kunt doen, door het hoofd blijft spoken, kunt u deze maar beter op eigen voorwaarden tegemoet treden.
Maak anderen die om u geven deelgenoot van uw verhaal op een manier die u in staat stelt het hele scala van de bij het gebeurde beleefde smartelijke gevoelens opnieuw te ervaren. Gaat u huilen of beven, zoveel te beter. In plaats van situaties te die u aan het gebeurde herinneren te vermijden kunt u ze beter opzoeken om u te ‘desensitiseren’. Hebt u bijvoorbeeld een auto-ongeluk meegemaakt, verzet u dan tegen uw neiging van verdere autoritten af te zien en ga weer rijden zodra u kunt. Misschien moet u dit geleidelijk opbouwen; daarbij gaat u eerst in een stilstaande auto zitten, dan meerijden als passagier, vervolgens zelf rijden met een vertrouwd persoon naast u en ten slotte in uw eentje. Ontloop dingen die u aan het gebeurde herinneren niet, integendeel, zoek ze op, zodat u de emoties kunt verwerken en laten slijten.

Met dank aan Nadien:
Omdat Dissociatieve ervaringen vaak voorkomen bij mensen met een PTSS, heb ik deze ook opgezocht. (va blz 275 t/m 285)

Dissociatieve ervaringen.

De meesten van ons gaan door het leven in bijna blijmoedige onwetendheid van de interne mechanismen van hun geest als een duizendpoot van de verrichtingen van zijn talloze poten bij elke stap. Wanneer alles goed gaat, ervaren we onze geestelijke functies ( zoals het geheugen, de waarneming, ons identiteitsgevoel en ons besef van de wereld) als een automatisch, coherent en naadloos geïntegreerd geheel. En wel in die mate dat wij de behaaglijke stelling ‘Ik ben ik- een geïntegreerd zelf dat soepel functioneert in een reëel bestaande wereld’ als iets vanzelfsprekends beschouwen.
Geestelijke functies kunnen in een aantal verschillende opzichten ‘gedissocieerd’ raken. Traumatische herinneringen worden afgescheiden van de rest en zijn niet meer terug te halen. Of iemand kijkt in de spiegel en heeft het gevoel dat het gezicht dat hij daar ziet van een vreemde is. Of iemand komt zo los van zichzelf te staan dat hij het gevoel heeft naar zichzelf te kijken tijdens het uitvoeren van zijn dagelijkse bezigheden als naar een figuur uit een film. Of hij kijkt naar de mensen om hem heen en krijgt het griezelige gevoel dat het onwerkelijke marionetten zijn die een onwerkelijke wereld bevolken. De meest extreme gevallen van dissociatie kunnen leiden tot een uiteenvallen van het zelf in meerdere, ogenschijnlijk autonome persoonlijkheden. Dissociatie treedt gewoonlijk op wanneer iemand onder zware psychische belasting staat, onder invloed van een medicijn of middel verkeert, een schedeltrauma heeft opgelopen of aan een neurologische of psychiatrische aandoening lijdt.
Het vaakst vertegenwoordigt dissociatie een falen van het geestelijk functioneren onder de stress van een lichamelijk of psychisch probleem, maar ze kan ook een manier zijn om pijnlijke herinneringen te hanteren. Het lijkt waarschijnlijk dat het vermogen tot dissociatie bij ons aanwezig is omdat het in adaptief opzicht voordelen had die door de natuurlijke selectie zijn begunstigd. Onze vroege voorouders leefden in een bijzonder gevaarlijke wereld vol leed en pijn. Door het vermogen te ontwikkelen de akeligste gedeelten van hun leven uit te wissen, hielpen zij zichzelf om door te gaan. Het kan zeker geen toeval zijn dat dissociatie een zo universeel en zo vlot beschikbaar fenomeen onder mensen is of dat zoveel mensen haar door meditatie of middelengebruik zoeken te bereiken.
Onder normale omstandigheden worden onze dagelijkse ervaringen ononderbroken verwerkt in een nimmer voltooid rakend weefsel, waardoor wij op dit moment kunnen handelen en voelen op grond van alles wat we hiervóór hebben geleerd en gevoeld. Soms kan het echter meer adaptieve waarde hebben om de meest extreme ervaringen van lichamelijk, seksueel of emotioneel trauma te isoleren om hun ontwrichtende werking binnen de perken te houden. Door een herinnering, een emotionele reactie of ( in zeer zeldzame gevallen) een compleet brok van de eigen persoonlijkheid af te splitsen, kunnen de overblijvende delen onaangetast blijven functioneren. Natuurlijk is deze wijze van zichzelf tegen destabiliserende stress beschermen alleen te bereiken tegen de hoge prijs van gaten in de herinnering, gevoelens van vervreemding, emotionele verdoving of zelfs een uiteenvallen van het zelf.

Depersonalisatie stoornis

De depersonalisatie ervaring is moeilijk te beschrijven als je haar nog nooit hebt ervaren.
Met deze benaming wordt een griezelig, onbehaaglijk, verontrustend en soms beangstigend gevoel aangeduid van onwerkelijkheid, van afgesneden, verwijderd, vervreemd en losgehaakt te zijn van je ik, je lichaam en van de wereld om je heen. U voelt zich als een in een droomtoestand rondzwervende robot die de routinehandelingen van het leven afwerkt zonder echt te leven, en u slaat uzelf bij uw bezigheden gade als was u op een bioscoopscherm. Dit kan samengaan met gedachten over zin ( of zinloosheid) van het leven, de immensheid van het universum en de vergankelijkheid van de tijd. Smaken geuren, aanrakingen, pijn- alles voelt gedempt, verdoofd, als van karton, van elke authenticiteit ontdaan. Sommige mensen krijgen het gevoel dat hun armen en benen veranderen van formaat of los staan van de rest van hun lichaam. Depersonalisatie gaat vaak hand in hand met gevoelens van onwerkelijkheid. Daarbij ervaart u mensen en de rest van de wereld als spookachtig onbekend, vreemd of onwezenlijk.
In hun meest typische vorm zijn deze ervaringen kortstondig en voorbijgaand en duren ze maar enkele seconden of minuten. Bij sommigen kan de depersonalisatie echter maanden of zelfs jaren blijven bestaan en een onbehaaglijke manier worden van in het leven staan. Hoewel depersonalisatie-episodes dikwijls optreden tijdens paniekaanvallen en in stressvolle omstandigheden, kunnen ze op gang worden gebracht door gewonere situaties waarin de aandacht op uzelf wordt gericht, zoals wanneer u uzelf in een spiegel ziet of uw naam hoort roepen.

Vooral wanneer de depersonalisatie-episodes lang aanhouden, zult u zich mogelijk zorgen maken dat u gek wordt, of uw verstand verliest. Ofschoon depersonalisatie zeer zeker een vreemde en verontrustende ervaring is, is ze op zichzelf geen bewijs voor hetzij een psychose dan wel een ernstige geestesziekte. Het verschil tussen depersonalisatie en wanen is juist dat de betrokkene blijft beseffen dat de depersonalisatie-ervaringen niet meer zijn dan vervelende en onprettige gevoelens en dat hij niet echt geloofd in een robot te zijn veranderd of op een andere wezenlijke manier van zijn identiteit te zijn beroofd.
Depersonalisatie treedt bij vele psychiatrische stoornissen op als begeleidend symptoom- 40 % van de opgenomen psychiatrische patiënten en 33% van de lijders aan PTSS hebben er ervaring mee.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Spoken uit het verleden – Leven na een jeugd zonder warmte

Een tekort aan warmte en affectie kan levenslange gevolgen hebben. Adolescenten en volwassenen met een dergelijk trauma ondervinden vaak problemen wanneer zij emotionele en sociale banden aangaan. Boris Cyrulnik laat zien hoe het mogelijk is de veerkracht te ontwikkelen die nodig is om te overleven na een liefdeloze jeugd. 
Op dit blog zal ik een aantal hoofdstukken uit dit boek publiceren. Het hoofdstuk van vandaag gaat over een belangrijk aspect van mensen met een kutjeugd: welke werkelijkheid kun je aan en welke niet?

1. Ieder verhaal is een werktuig om onze wereld te reconstrueren
Sommige mensen die zwaargewond zijn of niet de juiste personen om zich heen hebben, laten de moed zakken en blijven versuft, verward, onderworpen aan het verleden, tobbend over de beschadiging die voor hen nog steeds voortduurt. Anderen daarentegen slagen erin ‘een innerlijk verhaal te creëren dat nodig is om geestelijk te kunnen overleven’. Het verhaal voert werkelijke feiten ten tonele, waarvan de betekenis afhangt van degenen die erover praten. Georges perec ziet nooit de mensen uit zijn omgeving verdwijnen, maar op een dag ziet hij wel dat ze verdwenen zijn. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zag men zelden joden verdwijnen, maar op een dag begreep men dat ze waren verdwenen. Georges herinnert zich zijn vader in het uniform van een Franse soldaat van het vreemdelingenlegioen. En dan op een dag … is hij er niet meer. Hij herinnert zich dat zijn moeder met hem naar het Gare du Nord ging, en dan … is ze er niet meer. Zijn wereld wordt leeg zonder duidelijk traumatisme. De wond is enorm, maar onzichtbaar, en het kind begrijpt er niets van, want je kunt niet iets observeren wat er niet is. En dan loopt hij vier jaar bij een psychiater en ‘verbrokkelt het pantser van zijn uit spitsvondigheden opgebouwde toevlucht’ en vindt hij herinneringen terug die voor hem gebeurtenissen worden waarmee hij zijn reusachtige beschadiging zal repareren: ‘Ik had graag mijn moeder willen helpen de tafel af te ruimen.’ Je kunt je voorstellen dat iemand die zo’n herinnering koestert, juist geen moeder heeft gehad. Een gebeurtenis is niet wat we ervan kunnen zien of weten, maar wat we ervan maken in de behoefte die we aan deze gebeurtenis hebben om iemand te worden. De meest nietszeggende banaliteit draagt in zich de kiem van een grote innerlijke gebeurtenis, mits we de gewonde een plek en een procedure bieden waar(mee) hij op zoek kan gaan naar zijn verloren herinneringen. De gebeurtenis is wat we maken van wat ons overkomt: wanhoop of glorie.
 
In feite ontstaat in de latere blik, in de voorstelling die we ons van de zaak maken, de emotie die door de gebeurtenis wordt gewekt. Wat de gewonde denkt van wat hem is overkomen en het gevoel dat hij erbij ervaart, hangt zowel af van het verhaal dat hij er voor zichzelf van maakt, als van het verhaal dat hij er voor anderen van maakt, en bovendien nog van het verhaal dat deze anderen ervan maken. In het samenvloeien van al deze intersubjectieve werelden ontstaat het gevoel dat aan de gebeurtenis wordt toegekend.
Het vertellen kan de emotie vormen op een manier die erg verschilt naargelang de houding van de toehoorder en de culturele context. De gewonde kan te horen krijgen: ‘Je overdrijft’, ‘er zijn geen bewijzen van wat jij zegt’, ‘arme kerel, door wat jou is overkomen, ben je voor je leven getekend’, ‘arm kind, wees maar niet bang, ik ben er toch’, ‘geef me eens details van al die gruwelijkheden, dat vind ik heerlijk’, ‘je hebt het er zelf naar gemaakt’, ‘ik bewonder je datje erbovenop gekomen bent’. Bedenk een zin, het maakt niet uit welke, en je kunt er zeker van zijn dat die ooit eens is gezegd. 

Dat neemt niet weg dat de vertelstructuur van de gewonde die zijn verhaal doet, laat zien welke gevoelens hij ervaart. Maar de emotie van zijn innerlijke wereld komt van heel andere bronnen: zijn eigen gevoeligheid die door de affectiviteit van zijn naasten in zijn geheugen is geprent, de betekenis die hij aan de gebeurtenis toekent en de betekenis die zijn culturele context eraan geeft.
Antoine was hevig gechoqueerd toen de slager hem het horloge van diens vader gaf. Toch was het een mooi zakhorloge met een ketting en een bewerkte achterkant. Maar de jongen, die zich wilde bevrijden van zijn pleeggezin, was erg geschrokken toen de brave slager hem zijn vak wilde overdragen. Het cadeau betekende dat de pleegvader wilde dat het kind de volgende in de rij werd en zijn werk voortzette om hem ‘op zijn oude dag tot steun te zijn’, zoals hij had gezegd. In zo’n context betekende het geven van het horloge dat Antoine zijn pleegvader als slager zou opvolgen. ‘Mijn vader was slager. Ik geef je zijn mooie horloge, zoals hij het mij heeft gegeven. Daarmee geef ik het estafettestokje door van de ene generatie op de andere.’ En dat is nu precies waar Antoine bang voor was: zijn hele leven te moeten werken voor deze familie, terwijl hij door zijn adultistische gedrag het recht had zich uit het gezin te bevrijden. Het mooie horloge werd angstaanjagend. En het gedrag van Antoine veranderde inderdaad na deze gebeurtenis: hij verstarde en nam afstand. 

Waarom maken we eigenlijk verhalen? Stelt u zich voor dat u op vakantie bent. In de Verenigde Staten heeft op 11 september 2001 een ongelooflijke aanslag plaatsgevonden. Mensen praten alleen nog daarover, iedereen is met deze ongehoorde gebeurtenis bezig. Op het strand staat u in de rij voor een ijsje. En dan verschijnt er plotseling een man die twee minuten lang een onsamenhangend verhaal houdt, waarin hij – als wetenschapper die een test doet – drie dingen moet noemen: ‘Vlag’, ‘blauw water’ en ‘hemelse muziek’. Daarna moet hij ervandoor gaan.
Zou u in staat zijn niets te zeggen, geen enkele emotie te uiten? De bevreemding heeft bij u een gevoel gewekt dat er iets is gebeurd. U glimlacht, u bent verbaasd en u waagt zich aan de een of andere interpretatie. Maar wanneer uw verhalen worden opgetekend, zien we langzamerhand een regelmatigheid verschijnen: de interpretatie die u aan deze ongewone gebeurtenis geeft, zegt in feite iets over uw culturele context! Wanneer je op een strand bent, verwacht je dat de mensen ‘strandgedrag’ vertonen: op de grond liggen, het water in gaan, met een bal spelen of in de rij staan voor een ijsje. Als er iets gebeurt wat je niet verwacht, veroorzaakt dat een kleine scheuring in de verwachting die je van een dergelijke situatie hebt. Daarom zei u: ‘Hij had het over een “vlag”, hij ziet overal aanslagen.’ Sommige getuigen zeiden: ‘Ik hoorde hem zeggen “blauw water”: hij denkt dat er een bacteriologische oorlog gaande is.’ ‘Welnee, hoe komt u erbij,’ antwoordden anderen. ‘Hij is door de gebeurtenissen van de laatste tijd zo gespannen dat hij een mystiek delirium heeft. Hij heeft hallucinaties van “hemelse muziek”.’ U hebt terecht opgemerkt dat het scenario, dat niet paste bij de context van het strand, iets ongewoons had, maar om uw gevoel van verbijstering te sussen had u er behoefte aan een betekenis toe te kennen aan deze onsamenhangende brokstukken. Daarom hebt u de gebeurtenis geïntegreerd in de culturele context die op dat moment door uw hoofd spookt – u hebt de gebeurtenissen op de een of andere manier geestelijk verwerkt. Wanneer u het feit niet in een samenhangend verhaal integreert en op uw context afstemt, bent u verbijsterd en weet u niet hoe u moet reageren op deze op zijn kop gezette wereld. Geen enkele vorm van logisch gedrag kan u dan geruststellen. 

Een verhaal is een voorstelling van zinvolle handelingen, een enscenering van een reeks gedragingen, een opbouw van beelden die door woorden geheroriënteerd worden. Als het zeggen van de woorden ‘vlag’, ‘blauw water’ en ‘hemelse muziek’ geen betekenis heeft, raakt de toehoorder gedesoriënteerd. Als daarentegen de culturele context de mogelijkheid biedt deze onsamenhangendheden te interpreteren en er een betekenis aan te geven, dan heroriënteert de toehoorder zich. Elke waarneming van een gebeurtenis vereist meteen al een handeling van geestelijke absorptie. En zodra we er een betekenis aan kunnen toekennen, voelen we ons beter, want dan wordt onze wereld duidelijk en georiënteerd, en weten we wat ons te doen staat. In de bliksemsnelle waarneming wordt datgene wat we zien en horen meteen al doordrenkt van onze subjectiviteit, onze innerlijke geschiedenis en onze culturele context. 

Verhalen ‘kunnen “werkelijk” of “gefantaseerd” zijn zonder als zodanig ook maar iets van hun kracht te verliezen’. Waar het om gaat, is dat het verhaal een verklaring biedt. ‘Hij riep “vlag” vanwege de aanslag, om ons te waarschuwen dat hij iets heeft gezien.’ Elk verhaal is een werktuig waarmee je je wereld opbouwt. En dat we ons beter voelen zodra we kunnen zien waar we mee bezig zijn, komt doordat de oriëntatie, de betekenis die wordt toegekend aan wat we waarnemen, ons weghaalt uit het absurde en ons een verklaring biedt.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Achtergrond kindermishandeling – Mama’s nieuwe vriend

In de Volkskrant van 3 augustus 2005 het aangrijpende verhaal van Kinty Rongen, wiens voornaam eigenlijk Poppe Jan is. Poppe Jan was de biologische vader van de kinderen Damaris en Daniël, die op 1 augustus 2005 op gruwelijke wijze om het leven zijn gebracht door de oud-militair Avi, de nieuwe vriend van zijn ex-vrouw.
Poppe Jan heeft de juiste instanties vroegtijdig benaderd en heeft voldoende signalen afgegeven om onderzoek en ingrijpen van Bureau Jeugdzorg en het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) te rechtvaardigen en daarmee waarschijnlijk de moord te voorkomen, maar het mocht niet baten. Hij werd niet serieus genomen.

Eén van de redenen waarom Poppe Jan niet serieus werd genomen was zijn “slechte naam”. Hij bracht zijn jeugd door in kindertehuizen, hij was alcoholist, zat in de gevangenis. In een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming uit 2003 staat: “Hij is te goeder trouw, zal de kinderen geen haar krenken, is zijn emoties echter niet goed de baas.”
Het is zeer wel mogelijk dat dit stigma in de rapportage hem (dat wil zeggen: de kinderen) de das heeft omgedaan.

Ik ken Poppe Jan persoonlijk, al heb ik hem zeker twintig jaar niet meer gezien. Als je weet wat voor jeugd deze man heeft gehad en uit welk milieu hij komt, mag het een gotswonder heten dat hij er zo uit tevoorschijn is gekomen. Poppe Jan is een doodgoeie jongen die niet tegen onrecht kan, en al helemaal niet tegen “petten”.
Ik was zijdelings betrokken bij een “misdrijf” van Poppe Jan. Zijn jonger zusje was door een “loverboy” geronseld om de hoer te spelen. Het meisje werd in hoge mate door deze “loverboy” beïnvloed en Poppe Jan kon dit niet aanzien. Hij schakelde de politie in, maar die reageerde niet op zijn noodsignalen want Poppe Jan had een strafblad, was een boef.
Uiteindelijk begaf Poppe Jan zich naar het huis van de “loverboy”, het huis waar hij met zijn vrouw en kinderen woonde, het huis waar zijn zusje verbleef.

Het is ’s nachts half één. Achter het huis van de “loverboy” aan de Basaltstraat in de Groningse wijk Vinkhuizen bevindt zich een grote parkeerplaats. Alles is rustig. Dan komt er plotseling met grote snelheid en gierende banden een Amerikaanse auto de parkeerplaats op rijden. Poppe Jan stapt uit, met in zijn hand een pistool. Hij rent naar de achterdeur, trapt die in, schreeuwt om de aandacht van zijn zusje te krijgen, komt even later met zijn zusje naar buiten, laat haar in de auto stappen en rijdt plankgas weg.
Actie geslaagd, geen doden, geen gewonden. Poppe Jan heeft zijn recht laten zegevieren.

“Attentie, voor alle wagens: de bij ons bekende Poppe Jan R. heeft zojuist een minderjarig meisje ontvoerd uit een woning in de Basaltstraat. Poppe Jan rijdt in een (beschrijving auto) met het kenteken …. Poppe Jan is vuurwapengevaarlijk. Herhaling van dit bericht…”

Poppe Jan zal zich voor zijn kop slaan nu hij zich ervan heeft laten weerhouden zijn kinderen op dezelfde manier aan hun noodlot te onttrekken. Hij was ouder en “wijzer” geworden, en deed – voor de zoveelste maal – tevergeefs een beroep op de instanties, de “petten”. Als hij zijn kop had gevolgd, hadden de kinderen waarschijnlijk nog geleefd.

Dit drama deed mij onwillekeurig denken aan mijn eigen zoon. Na mijn scheiding bleef hij bij zijn moeder. Moeder kreeg een nieuwe vriend en toen ging het mis. Ik volgde de weg die ik beroepshalve van haver tot gort kende en kreeg de voogdij. Maar hij mocht (voorlopig) niet bij mij komen wonen, want zijn moeder en haar vriend hadden zich agressief getoond naar mij en mijn nieuwe vrouw, hadden ruiten ingeslagen en ons met fysiek geweld bedreigd, en die situatie zou niet goed zijn voor mijn zoon. De agressie van de in het ongelijk gestelde partij werd dus door de kinderrechter beloond.
Mijn zoon moest op “neutraal terrein” verblijven en bracht vijf jaar door in pleeggezinnen en tehuizen. Op zijn twaalfde, toen hij eindelijk mócht kiezen, koos hij ervoor om bij mij te komen wonen, maar zijn kutjeugd in de tehuizen en pleeggezinnen zal hij niet gauw vergeten. Het had zo anders kunnen zijn wanneer de instanties, de “petten” zorgvuldiger hadden geoordeeld.

En dat geldt uiteraard ook voor Poppe Jan, en voor zijn kinderen Damaris en Daniël. 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen