Inleiding
Omdat de bipolaire stemmingsstoornissen divers van aard zijn en de Engelse term “bipolar disorder” luidt, maak ik in deze serie liever geen gebruik van de term “manisch-depressief”. Iemand die bipolair II is kan bijvoorbeeld wel depressief en wel hypomaan worden, maar niet manisch. Zou hij of zij wel manisch kunnen worden, dan luidt de diagnose bipolair I en niet bipolair II.
In 1973 en in 1976 ben ik een jaar lang zeer depressief geweest en in die periode werd de ziekte “manisch-depressiviteit” bij mij gediagnosticeerd. Er zijn dus twee vormen van deze stemmingsstoornis. De patiënt die bipolair I is kent naast de depressieve fase en de hypomane fase ook de manische fase, en bij de patiënt die bipolair II is komt de manische fase niet voor.
Ik ben bipolair II. Van 1973 tot 1985 en van 2004 tot oktober 2005 heb ik lithium gebruikt, een medicijn dat de stemmingswisselingen onder controle moet houden.(Sindsdien gebruik ik geen enkele medicatie meer.) Ik ken de langdurige, diepe depressies en ik ken ook de hypomane episoden, waarin je gigantisch veel kunt produceren en je energie tomeloos lijkt te zijn. “Dan ga je als een straaljager,” placht Ger Klein te zeggen.
Alleen de “gekke” (manische) episode ken ik niet uit eigen ervaring, maar ik kan mij er wel het een en ander bij voorstellen.
Nu ben ik geen typisch voorbeeld van iemand die bipolair II is. Dat komt omdat er bij mij – in meer of mindere mate – nog sprake is van een aantal stoornissen, zoals het zogenaamde “geen bodem syndroom” (zie het infoblok rechts), het posttraumatisch stress syndroom en enkele verschijnselen van het borderline syndroom (maar niet voldoende om mij als “borderliner” te kunnen diagnosticeren.) Ik zal mij echter in deze serie beperken tot de storing bipolariteit, alhoewel ik er wel bij moet vermelden dat het posttraumatisch stress syndroom voor een deel een regelrecht gevolg is van de gevaarlijke situaties die ik in mijn hypomane episoden opzocht. Niet iedereen zal als adolescent een vliegtuig hebben genomen naar Israël om er te vechten tegen de vijanden van dat land, op de bonnefooi naar Vietnam om er als freelance fotograaf oorlogshandelingen vast te leggen, of naar Noord-Ierland of Zuid-Afrika om daar actief deel te nemen aan het verzet. Een in die tijd voortdurend aanwezige doodswens verhinderde bovendien enig voorzichtig handelen in het kader van het levensbehoud. Niet iedereen zal in streng islamitische landen hebben rondgelopen met een davidsster op de arm getatoueerd.
Ik heb in mijn leven heel wat psychiaters gezien. Slechts één van hen, mijn “zeilmaatje”, een man bij wie ik in de jaren zeventig negen jaar patiënt ben geweest en met wie ik nog steeds bevriend ben, was in staat om mij te helpen. Alle psychiaters daarvoor en alle psychiaters daarna konden bij mij de toets van zorgvuldigheid, vakkundigheid en integriteit niet doorstaan, waarschijnlijk ook omdat ik mij door middel van opleidingen en werkervaring zelf had bekwaamd in het vak van psychotherapeut. Daarnaast ben ik sowieso een moeilijke patiënt, of het nu om psychische of somatische zorg gaat. Ik laat mij zo moeilijk sturen.
In deze serie wil ik in een aantal aspecten aan bod laten komen:
-de verschillende vormen van de bipolaire stoornis;
-de behandelingsmethoden;
-het leven met een bipolaire stoornis;
-het leven met iemand met een bipolaire stoornis;
-de bipolaire stoornis en creativiteit.
1. Wat is er met me aan de hand?
Deze serie gaat over de bipolaire stoornis. Een stoornis waar naar schatting één tot twee procent van de Nederlanders aan lijdt. Een stoornis waarbij je afwisselend heel somber en heel vrolijk kan zijn. Zo somber dat het leven totaal zinloos lijkt en zo vrolijk dat je de hele wereld aankan. Het is een stoornis die je leven sterk kan beïnvloeden, maar als je eenmaal weet dat je deze stoornis hebt, is het gelukkig goed mogelijk om er zelf enige controle over te krijgen. Daarvoor is het wel noodzakelijk dat je het een en ander van de stoornis af weet.
Wat is er met me aan de hand?
Typerend beeld van de kwaal
De bipolaire stoornis is een boeiende stoornis voor de buitenstaander. De ene keer heb je te maken met een joviale buurman die je uitbundig complimentjes maakt over je nieuwe truitje. De volgende ochtend kan dezelfde man het nauwelijks opbrengen om ‘goedemorgen’ tegen je te zeggen. En als je pech hebt, houdt hij je de keer daarop de halve nacht wakker omdat ‘componeren nu eenmaal ‘s nachts het beste gaat’. Voor de buurman zelf is de stoornis meer dan alleen maar boeiend:
De ideeën en emoties flitsen als vallende sterren door je geest en je grijpt ze vast totdat er nog betere langs vliegen. Je verlegenheid verdwijnt, de juiste woorden en gebaren komen plotseling vanzelf en je weet zeker dat je anderen onmiddellijk boeit. Zelfs oninteressante mensen worden opeens interessant. Alles krijgt een sensuele gloed en je kunt het verlangen om te verleiden en verleid te worden niet weerstaan. Gevoelens van gemak, intensiteit, macht, welbehagen, financiële rijkdom en euforie dringen tot in je botten door. Maar dan verandert er iets. De snelle ideeën overspoelen en ontglippen je. Je heldere geest raakt vertroebeld. Je geheugen werkt niet meer. De glimlach en de aandacht op de gezichten van je vrienden veranderen in angst en bezorgdheid. Alles dat eerder meeliep, loopt nu tegen. Je wordt geïrriteerd, boos, bang en onbeheerst, en je verdwaalt in de donkerste grotten van je geest, waarvan je niet eens wist dat ze bestonden. (K. Redfield Jamison, 1995)
Het citaat hiervoor beschrijft heel treffend de gevoelens, emoties en sensaties die mensen met een manische of een depressieve periode ervaren. De beschrijving is heel mooi, bijna poëtisch. Maar de ervaring zelf is niet zo mooi.
Symptomen
Als je ‘stemming’ ziet als een soort lijn met aan het ene eind diepe somberheid en aan het andere eind uitgelatenheid en vrolijkheid, dan zijn de twee polen (bi-polair) van de stoornis meteen duidelijk. Nu zijn er wel meer mensen onderhevig aan sterke stemmingswisselingen maar niet iedereen is bipolair. Je wordt pas zo genoemd als de stemmingswisselingen zo extreem zijn dat het normale leven eronder lijdt. Dat je bijvoorbeeld zo somber bent dat je nog slechts met grote moeite voor jezelf kan zorgen, laat staan werken. Of dat je juist heel uitgelaten, vrolijk en druk, maar ook heel chaotisch bent. Zo chaotisch dat je op het werk geweldige plannen kan bedenken voor een algehele reorganisatie maar in de praktijk nog geen nietje in kan slaan. Je overschat je eigen mogelijkheden.
Vanwege de ernst van de verschillende stemmingsepisoden wordt de bipolaire stoornis als een psychiatrische stoornis beschouwd. Als je eraan lijdt, ben je niet nu eens vrolijk en dan weer wat somber. Je bent afwisselend zo vrolijk en uitgelaten of juist zo depressief dat je normale functioneren er ernstig door wordt gehinderd. Gelukkig ben je niet voortdurend het een of het ander. Er zijn ook perioden dat je stemming gewoon stabiel is. Hoe lang die perioden duren is per persoon verschillend. Bij de één duren ze kort, dagen of weken; bij de ander maanden of jaren.
De stemmingen gaan gepaard met lichamelijke verschijnselen als: veranderde slaapbehoefte, ander eetpatroon, moeite met concentreren, rusteloosheid, meer behoefte aan seks (manie). Of juist grotere slaapbehoefte, problemen met inslapen of doorslapen, veranderingen in de stoelgang (depressie).
Buiten de last die je hebt van het leven in twee uitersten, is daar ook nog de moeilijkheid van het leven in het ‘neutrale’ tussengebied. De stemming is dan weliswaar ‘normaal’ maar het kost erg veel energie om dat evenwicht te bewaren. Je kan zelfs dan dus niet zijn zoals anderen omdat de ontregeling altijd op de loer ligt.
Bovendien heeft een deel van de bipolaire personen ook tussen de depressieve of (hypo)manische perioden in nog klachten. Moeheid en een verminderd concentratievermogen worden veel genoemd als ‘restverschijnselen’. Dit is een bewijs voor het idee dat de bipolaire stoornis niet – zoals lang is aangenomen – een periodiek terugkerende ziekte is waar je soms wel en soms geen last van hebt. Het is een aandoening die ‘in golven’ verloopt. Een zogenaamde cyclische aandoening die altijd aanwezig is. Je hebt er alleen de ene dag meer hinder van dan de andere en soms merk je er gelukkig helemaal niks van.
Vroege en late symptomen
Bij de bipolaire stoornis hoeft er geen verschil te zijn in symptomen in het begin van de ziekte of symptomen die optreden als je de ziekte al een aantal jaren hebt.
Sommige mensen hebben eerste enkele jaren lichte stemmingsschommelingen, voordat de eerste echte duidelijke episode optreedt. (Er wordt gesproken over een depressieve episode als je gedurende minstens twee weken zo depressief bent dat je er flink door wordt gehinderd in je normale bezigheden. Er wordt gesproken over een manische episode als je minstens een week zo manisch bent dat je er in je normale doen en laten veel hinder van ondervindt.)
Anderen hebben nog nooit ergens last van gehad, maar krijgen na een ingrijpende gebeurtenis van de ene dag op de andere ineens een manie.
Weer anderen hebben al jarenlang depressies voordat er een (hypo)manie optreedt of juist al jarenlang (hypo)manieën voordat er ooit van een depressie sprake is.
Wel is het bij bijna iedereen zo dat de episoden – en dus de symptomen – in de loop van de tijd vaker voorkomen en heviger worden. Met andere woorden: de meeste mensen die bipolair zijn, zijn begonnen met vrij lichte symptomen die in de loop van de tijd als de ziekte voortschrijdt, heviger worden. Tenzij je bij die uitzonderingen behoort bij wie de eerste episode nooit meer gevolgd wordt door een tweede. Of tenzij je ziekte tijdig is onderkend en je met medicatie bent gestart, want medicatie heeft een gunstige invloed op het verloop van het proces.
2. Diagnostiek
Je kan pas bepalen of je een bipolaire stoornis hebt als je weet wat daar eigenlijk precies onder wordt verstaan. Welke verschijnselen moet je hebben en in welke mate, om volgens de officiële richtlijnen van de geestelijke gezondheidszorg als bipolair bestempeld te worden? Niet dat het nu zo fijn is om dit predikaat opgeplakt te krijgen, maar je zal pas de behandeling krijgen die je nodig hebt, als ook je behandelaar vindt dat je (volgens die officiële richtlijnen) bipolair bent.
Bipolaire I – en bipolaire II-stoornis
Je kunt de bipolaire stoornissen onderverdelen in bipolaire I- en bipolaire II-stoornis.
Je hebt een bipolaire I-stoornis als je minimaal één manie hebt gehad (maar de meeste mensen met een bipolaire I-stoornis hebben er meer gehad en daarnaast ook depressies).
Je hebt een bipolaire II-stoornis als je minimaal één hypomanie hebt gehad en daarnaast een of meer depressies.
Een hypomanie is minder ernstig dan een manie: wel druk en veel praten bijvoorbeeld, maar je beoordelingsvermogen is nog redelijk intact. Het is een soort glijdende schaal met aan de ene kant een normale stemming en aan de andere kant de manie. Ergens daar tussenin zit de hypomanie.
Afhankelijk van de aan- of afwezigheid van manieën wordt het een bipolaire I- dan wel een bipolaire II-stoornis genoemd. In het kort:
bij de bipolaire I-stoornis heb je manieën en meestal ook depressies. Bij de bipolaire II-stoornis heb je hypomanieën en depressies.
Diagnostiek: DSM-IV
Er wordt in de geestelijke gezondheidszorg gebruikgemaakt van een internationaal classificatiesysteem DSM-IV genaamd (Diagnostic Statistical Manual). Het is een soort overzicht van de op dit moment bekende psychiatrische stoornissen met de daarbij behorende symptomen. Dit heeft veel voordelen voor patiënten want het betekent dat als je huisarts over jouw manische episode praat met je psychiater, ze beiden precies weten waar ze het over hebben. De DSM-IV is op dit moment de standaard wat betreft het diagnosticeren van psychiatrische stoornissen. Een manische episode wordt in de DSM-IV als volgt omschreven:
Een duidelijk herkenbare periode met een abnormale en voortdurend verhoogde, expansieve (uitgelaten) of prikkelbare stemming, gedurende ten minste een week (of elke duur indien opneming in een ziekenhuis noodzakelijk is).
Tijdens de stemmingsstoornis zijn drie (of meer) van de volgende symptomen (vier indien de stemming alleen geprikkeld is) voortdurend en in belangrijke mate aanwezig:
1 opgeblazen gevoel van eigenwaarde of grootheidsideeën;
2 afgenomen behoefte aan slaap (bijv.: voelt zich uitgerust na
slechts drie uur slaap) ;
3 spraakzamer dan gebruikelijk of spreekdrang;
4 gedachtevlucht of de subjectieve beleving dat de gedachten
jagen;
5 verhoogde afleidbaarheid (dat wil zeggen de aandacht wordt
gemakkelijk getrokken door onbelangrijke of niet terzake doende, van buiten komende prikkels);
6 toeneming van doelgerichte activiteit (ofwel sociaal, op het werk
of op school, ofwel seksueel) of psychomotorische agitatie;
7 zich overmatig bezig houden met aangename activiteiten waarbij een grote kans bestaat op pijnlijke gevolgen (bijv. ongeremde koopwoede, seksuele indiscreties of zakelijk onverstandige investeringen) .
Over de depressieve episode staat er het volgende:
1 depressieve stemming gedurende het grootste deel van de dag,
bijna elke dag, zoals blijkt uit ofwel subjectieve mededelingen (bijv. voelt zich verdrietig of leeg) ofwel observatie door anderen (bijv. lijkt betraand);
2 duidelijke vermindering van interesse of plezier in alle of bijna
alle activiteiten gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag (zoals blijkt uit subjectieve mededelingen of uit observatie door anderen);
3 duidelijke gewichtsvermindering zonder dat dieet gehouden
wordt of gewichtstoename (bijv. meer dan vijf procent van het lichaamsgewicht in één maand), of bijna elke dag afgenomen of toegenomen eetlust;
4 insomnia (slapeloosheid) of hypersomnia (veel slapen), bijna elke dag;
5 psychomotorische agitatie of remming (waarneembaar door anderen, en niet alleen maar een subjectief gevoel van rusteloosheid of vertraagdheid), bijna elke dag;
6 moeheid of verlies van energie, bijna elke dag;
7 gevoelens (die waanachtig kunnen zijn) van waardeloosheid of buitensporige of onterechte schuldgevoelens (niet alleen maar zelfverwijten of schuldgevoel over het ziek zijn), bijna elke dag;
De DSM-IV zegt over de bipolaire II-stoornis:
recidiverende (steeds terugkerende) depressieve episoden met hypomane episoden.
8 verminderd vermogen tot nadenken of concentratie of besluiteloosheid (ofwel subjectief vermeld ofwel geobserveerd door anderen), bijna elke dag;
9 terugkerende gedachten aan de dood (niet alleen de vrees dood te gaan), terugkerende .suïcidegedachten zonder dat er specifieke plannen gemaakt zijn, of een suïcidepoging of een specifiek plan om suïcide te plegen.
Toch vinden de meeste mensen met een bipolaire stoornis de depressie verreweg het moeilijkst te doorstaan. Een hypomane episode is, zoals al eerder werd opgemerkt, eigenlijk een manische episode in afgezwakte vorm. De verschijnselen zijn weliswaar hetzelfde maar minder hevig. In een hypomane episode zal je een mantelpakje kopen datje niet echt nodig hebt en in een manische episode een auto terwijl je geen rijbewijs bezit. Hypomane episoden leveren dus minder problemen op. Vaak kunnen mensen dan nog heel goed functioneren en soms zelfs beter dan normaal. Mensen hebben over het algemeen dan ook weinig last van hypomane episoden en zullen pas hulp zoeken als de depressie de kop opsteekt.
Het lijkt vreemd dat bij zo’n indeling het al of niet ooit een manie gehad te hebben het criterium is. Een feit is echter dat juist deze episoden – de officiële benaming voor een manische dan wel depressieve periode – het meest ingrijpen op iemands leven. Als je zwaar depressief bent, voel je je vreselijk en is er niks meer leuk in het leven. Sommige mensen komen door een depressie maandenlang nauwelijks hun bed uit. Dat dat invloed heeft op je sociale leven en je beroepsmatige leven spreekt voor zich. Maar als je uit een depressie komt, kun je in principe weer doorgaan met het leven dat je gewend was. Als je daarentegen echt compleet manisch geweest bent en je hebt twee ton uitgegeven terwijl je nog net drie tientjes op je rekening had staan, bij de buren de ruiten hebt ingegooid en je baas eindelijk eens de waarheid verteld hebt, dan is het een stuk lastiger om de draad weer op te pakken. Als je depressief bent, ben je geen prettig gezelschap maar je verdient wel sympathie. Of je dat altijd zult krijgen – zeker als je al een tijd depressief bent – is de vraag. Maar sympathie opbrengen voor de buurman die het hele gezin een paar weken wakker heeft gehouden omdat er midden in de nacht moest worden verbouwd, is van veel mensen te veel gevraagd.
Maar toen viel ik opeens in een bodemloze put. Mijn kristalheldere geest vertroebelde. Steeds opnieuw las ik dezelfde passages voordat het tot me doordrong dat ik er geen woord van kon onthouden. Dat gebeurde met elk boek of gedicht. Ik begreep nergens meer iets van. Ik snapte niets meer van de stof die we op school behandelden en zat uit het raam te staren zonder enig besef van de gebeurtenissen om me heen. Het was heel beangstigend. En vervolgens een grauwe, kille preoccupatie met de dood, sterven, rotten, het feit dat alles alleen maar bestond om te sterven en dat ik dus maar beter meteen dood kon gaan zodat ik al die pijn tijdens het wachten erop niet hoefde te doorstaan. (K. Redfield Jamison, 1996)
Het leven is vreselijk als je depressief bent. Logisch dus dat er – vooral tijdens een depressie – vaak met verlangen uitgekeken wordt naar een hypomane periode. Je voelt je goed, alles lijkt te lukken, er zijn geen zorgen en geen twijfels. De angst is echter altijd aanwezig dat de hypomanie ontspoort en doorslaat in een manie, want een manie is het meest ontwrichtende van de twee uitersten van de bipolaire stoornis: voor de persoon met MDS zelf en voor zijn directe omgeving:
Nu had ik een villa gezien met een tuin die grensde aan het Slotervaartziekenhuis. Ik was dertig en ik dacht die moet ik hebben. Ik wou daar de allochtone scharreljeugd in opvangen. Met pingpongtafels, biljarts en een huiswerkzaal. Dat huis heb ik nooit kunnen betreden. Meer dan een aanbetaling kon ik niet opbrengen. De koop werd ongedaan gemaakt toen ik als gevaar voor de samenleving tussen de lakens belandde. En de eigenaren pikten dat bedrag in. Ik heb ze nog lang het leven zuur gemaakt door brieven te schrijven dat ik ze voor de rechter zou slepen. Ik was inmiddels krankzinnig verklaard. Voor heel even hoor. Mijn eerste vrouw Tineke heeft dat ongedaan weten te maken. (‘In mijn leven alleen maar storm’, de Volkskrant, B. Haveman, 07-08-1999)
Een paar cijfers
In Nederland heeft een tot twee procent van de bevolking een bipolaire stoornis. Dit betekent dat circa 150.000 tot 200.000 Nederlanders afwisselend (hypo)manisch of depressief zijn of zich ergens in het tussengebied bevinden. De bipolaire I-stoornis komt vaker voor dan de bipolaire II-stoornis. Er lijden evenveel vrouwen als mannen aan een bipolaire stoornis, hoewel het erop lijkt dat meer vrouwen dan mannen een bipolaire u-stoornis hebben. De eerste symptomen treden meestal op tussen de twintig en dertig jaar oud. Er ligt gemiddeld tien jaar tussen het optreden van de eerste symptomen en het stellen van de diagnose. ‘Gemiddeld’ betekent dus dat sommige mensen al heel snel de juiste diagnose krijgen, anderen pas na vele jaren en sommigen helemaal nooit. Naar schatting wordt nog niet eens een op de drie mensen met een bipolaire stoornis professioneel behandeld.
3. Lithium
Al in de tijd van de Romeinen adviseerden artsen patiënten met een manie water te drinken uit bepaalde bronnen. Later bleek dat deze bronnen lithium bevatten. De Romeinen waren dus waarschijnlijk de eersten die, zonder het te weten, deze stof ter behandeling van een manie toepasten. Lithium werd als scheikundig element namelijk pas in 1817 ontdekt. De herontdekking van lithium als middel tegen manie werd bij toeval gedaan door Cade in 1949.
Rond die tijd begon men lithium echter ook te gebruiken als vervangingsmiddel voor keukenzout in een zoutarm dieet. Daarbij bleek dat lithium eigenlijk zeer gevaarlijk is en dat bij ongecontroleerd gebruik ernstige vergiftigingen kunnen optreden. Om die reden werd het gebruik van lithium toen ook in de psychiatrie gestaakt, tot het moment dat een Deense psychiater, Mogens Schou, in 1954 voor het eerst nauwkeurig onderzoek deed naar de werking van lithium bij een manie.
Preventief bij manie en depressie
Korte tijd later bleek dat lithium, behalve als medicijn bij een bestaande manie, ook effectief was ter voorkoming van manieën bij een bipolaire stoornis. Vervolgens bleek hetzelfde te gelden voor depressies.
Lithium werkt alleen zolang je het gebruikt. Als na vele jaren lithiumgebruik zonder psychiatrische problemen geprobeerd wordt ermee te stoppen, blijkt helaas dat dit zeer vaak (in een representatief onderzoek meer dan 50% binnen 6 maanden) een recidief, een terugkeer van de manisch-depressieve episoden, inluidt.
Als de lithiumprofylaxe beëindigd wordt moet dat bij voorkeur enigszins geleidelijk gebeuren. Tenzij dat natuurlijk gewoon niet kan (bij een lithiumvergiftiging bijvoorbeeld).
De effectiviteit van lithium is betrekkelijk groot. Bij meer dan tweederde van de patiënten die lithium gebruiken, komen geheel geen manische of depressieve episoden meer voor, of zijn deze zo licht dat ze nauwelijks problemen veroorzaken.
De ernstige consequenties van een manisch-depressieve stoornis (met name zelfmoord) blijken dankzij lithium sterk te verminderen of nagenoeg te verdwijnen.
Overigens lijkt het erop dat dit anti-suïcidale effect van lithium losstaat van de therapeutische effecten op de stemmingsstoornis. Lithium heeft kennelijk een specifiek anti-suïcidaal effect. Een geslaagde suïcide bij iemand die goed is ingesteld op lithium is (gelukkig) een zeldzaamheid. Ten slotte kan toevoeging van lithium aan een behandeling met antidepressieve geneesmiddelen een tot dan toe niet goed herstellende depressie genezen.
Verschillende lithiumpreparaten
Er zijn diverse lithiumpreparaten op de markt. Wat betreft de werking verschillen ze onderling waarschijnlijk niet. Het voordeel van de merkpreparaten (Camcolit, Litarex en Priadel) is dat er maar één sterkte van bestaat en dat de tabletten goed herkenbaar zijn. De kans op vergissingen is daardoor uiterst klein. Van het merkloze lithiumcarbonaat, dat het goedkoopst is en even goed werkt, zijn vier verschillende sterkten (200, 300, 400 en 500 mg) in de handel. Dat kan voor vergissingen zorgen. Als iemand tabletten van 500 mg gebruikt en per vergissing tabletten van 200 mg gaat gebruiken, is de kans groot dat de bloedspiegel (de concentratie lithium in het bloed) zo laag wordt dat het preparaat niet meer werkt. In het omgekeerde geval kan de bloedspiegel zo sterk toenemen, dat een lithiumvergiftiging dreigt. Omdat vergissingen zulke grote gevolgen kunnen hebben, kan het bestaan van vier sterkten van het merkloze lithiumcarbonaat een nadeel zijn. Gebruikers moeten daarom altijd opletten of ze in de apotheek de juiste tabletten hebben gekregen.
Pas op: de benodigde dosis lithiumcarbonaat (priadel, Camcolit) is niet gelijk aan de benodigde dosis lithiumcitraat (Litarex); dus nooit door elkaar gebruiken!
Bloedspiegel
De bloedspiegel is de concentratie van lithium in het bloed. De meeste medicijnen worden aan iedereen in één bepaalde standaarddosis voorgeschreven. Bij lithium is dat niet het geval, omdat de bloedspiegel bij één bepaalde dosering van persoon tot persoon kan verschillen. Dat komt doordat de nieren het lithium bij de één veel sneller uitscheiden dan bij de ander.
De dosering verschilt dus van persoon tot persoon. Daarom wordt de dosering voor iedereen individueel vastgesteld aan de hand van de bloedspiegel. Hierbij streeft men naar waarden tussen de 0,6 en 0,8 mmol/l (bepaald in een bloedrnonster dat 12 uur na de laatste lithiuminname is afgenomen). Bij therapieresistentie kiezen we wel voor hogere bloedspiegels tussen 0,8 e.n 1,0 mmol/l. Bloedspiegels beneden 0,4 mmol/l worden niet zinvol geacht en bij bloedspiegels boven de 1,0 mmol/l moet je ernstig rekening houden met behoorlijk wat bijwerkingen.
Wijze van gebruik
Er is niet aangetoond dat het eenmaal per dag innemen van een dosis minder effectief zou zijn dan het twee- of driemaal daags innemen. Eenmaal per dag innemen heeft praktische voordelen, vooral als het ‘s avonds gebeurt. De hoogste concentratie valt dan ‘s nachts wanneer de patiënt slaapt. De eventueel optredende bijwerkingen treden dan ook in die periode op. Ook voor het bepalen van de bloedspiegel is het gemakkelijker als de dagelijkse dosis ‘s avonds in één keer wordt ingenomen, omdat het bloed hiervoor 12 uur na de laatste inname moet worden afgenomen. Laboratoria nemen bij voorkeur ‘s morgens bloed af.
Begin van een lithiumbehandeling
Wanneer iemand voor het eerst op lithium wordt ingesteld, zal de behandelend arts doorgaans voorzichtig beginnen. Vijf tot zeven dagen na een bepaalde lithiumdosering zal een evenwichtstoestand zijn bereikt en heeft het zin om de bijbehorende bloedspiegel te bepalen.
Hoe vaak is controle nodig?
De frequentie van de controle is niet voor elke gebruiker gelijk. Dat is afhankelijk van een aantal factoren. Voor iemand die al jaren zonder problemen lithium gebruikt, er veel van weet en bij bijwerkingen direct aan de bel trekt, is één controle per drie maanden voldoende. Anderen, die vaker ontregeld raken, medicijnen gebruiken die de lithiumspiegel beïnvloeden, en/of andere lichamelijke ziekten hebben, zullen vaker voor controle moeten komen. Soms zelfs eenmaal per week. Onder normale omstandigheden houden we in Nederland een termijn van één tot drie maanden aan.
Bijwerkingen van lithium
Bij bijwerkingen willen patiënten soms met de lithiumbehandeling stoppen en dat is best begrijpelijk. De bijwerkingen geven je immers dagelijks last, terwijl je het werkzame effect vaak niet zo merkt.
Interacties
Diuretica: van plastabletten (diuretica) is bekend dat ze de lithiumspiegel fors kunnen verhogen en zelfs tot een lithiumvergiftiging kunnen leiden.
Pijnstillers: minder bekend is dat ook sommige ‘moderne’ pijnstillers de lithiumspiegel kunnen verhogen. Het gaat hierbij om de zogeheten prostaglandinesyntheseremmers (zoals ibuprofen, indometacine en diclofenac). Paracetamol kan in dit opzicht als pijnstiller geen kwaad.
Antibiotica: ook sommige antibiotica kunnen de lithiumspiegel verhogen. Bepaalde middelen tegen hoge bloeddruk, bekend als de ACE-remmers, kunnen ook de lithiumconcentratie in het bloed verhogen (voorbeelden zijn Capoten, Renitec).
Daarnaast is er nog een aantal geneesmiddelen dat de lithiumspiegel kan verlagen. Dit zijn onder andere acetazolamide (Diamox en Glaupax) tegen verhoogde oogboldruk (glaucoom) en epilepsie en corticosteroïden (zoals Prednison), gebruikt als ontstekingsremmend middel bij bijvoorbeeld astma.
Ook zijn er medicijnen die in combinatie de lithiumspiegel niet beïnvloeden, maar wel op andere wijze problemen kunnen veroorzaken (sommige neuroleptica, zogenoemde calciumantagonisten, carbamazepine en levodopa).
Zwangerschap
Bij een kinderwens doen zich niet alleen vragen voor over onder andere de erfelijkheid van de manisch-depressieve stoornis, maar ook over het gebruik van lithium. Tijdens de eerste drie maanden van de zwangerschap kan het gebruik van lithium leiden tot aangeboren (hart-)afwijkingen bij het kind. Dat betekent dat het gebruik al op het moment van de bevruchting gestaakt moet zijn. Overigens blijkt uit recenter onderzoek dat de kans op schade aan de vrucht door lithiumgebruik waarschijnlijk veel minder groot is dan voorheen werd aangenomen. Voorzichtigheid en terughoudendheid blijven echter geboden.
Aangezien het vaak wel even duurt voordat een zwangerschap optreedt nadat het gebruik van voorbehoedmiddelen is gestaakt, is die periode zonder lithium er een met verhoogd risico. Geen lithium betekent immers een grotere kans op een nieuwe manische of depressieve episode. Als een vrouw eenmaal zwanger is, komt het gelukkig veel minder vaak tot een depressie of manie. Wanneer lithium dan toch nodig is, kan het vanaf de vierde maand van de zwangerschap zonder bezwaar gebruikt worden. Wel gelden er voor die periode speciale regels en zal er wat vaker een bloedonderzoek moeten plaatsvinden.
Hoe lithium precies werkt is niet helemaal duidelijk maar er wordt aangenomen dat het betrokken is bij de prikkeloverdracht tussen verschillende zenuwuiteinden in de hersenen. Deze prikkeloverdracht is bij mensen die bipolair zijn verstoord. Doordat het ook andere organen beïnvloedt, heeft lithium echter behalve goede effecten ook minder gewenste bijwerkingen.
Lithium wordt op dit moment vooral gebruikt om depressies en manieën te voorkomen. Dit lukt in ongeveer zestig procent van de gevallen. Bovendien kan lithium gebruikt worden om een bestaande manische of depressieve episode te bestrijden. In dat geval wordt het dus niet als preventieve medicatie gebruikt maar als direct antimanisch of antidepressief middel. Om deze redenen is lithium de eerste keus als iemand een stemmingsstabilisator moet gebruiken.
Bijwerkingen en wat daar aan te doen
Lithium heeft helaas een aantal nadelen waardoor het niet voor iedereen bruikbaar is, zoals:
- trillingen gewichtstoename dorst, droge mond vaak plassen misselijkheid;
- diarree;
- verstopping;
- acné;
- gaatjes in tanden en kiezen minder zin in vrijen;
- verminderd geheugen en concentratie te traag werkende schildklier;
- ‘vlak’ gevoel.
Gelukkig verdwijnen veel van deze bijwerkingen na verloop van tijd maar circa 75% van de lithiumgebruikers houdt er een of meer ‘over’ waarvan trillingen en gewichtstoename tot de meest hardnekkige behoren. Er is niet veel, maar wel iets aan deze bijwerkingen te doen. Allereerst is het van belang een zo laag mogelijke (maar nog wel werkzame) lithiumspiegel (hoeveelheid lithium inje bloed) aan te houden.
De trillingen kunnen soms verminderd worden door alcohol- en koffiegebruik te beperken en er zijn medicijnen die het trillen tegengaan (propanolol) . De gewichtstoename kan beperkt worden door eigenlijk continu dieet te houden. Niet leuk, wel effectief. De dorst kan bestreden worden met veel drinken (water of iets anders zonder toegevoegde suikers i.v.m. gewichtstoename). Tegen een droge mond helpt (suikervrije) kauwgom, of iets anders om de speekselproductie te stimuleren zoals komkommer, augurk of tomaat. Vaak plassen kan bestreden worden door minder te drinken maar daar krijg je weer zo’n dorst van. Bovendien zou je uitdrogen als je door het lithium wel meer bent gaan plassen, maar niet meer bent gaan drinken om dat vochtverlies aan te vullen. De misselijkheid wordt vaak minder als het lithium bij het eten wordt ingenomen. Tegen (aanhoudende) diarree en acné valt weinig te doen behalve een ander merk lithium uitproberen. Tegen verstopping bestaan allerlei middeltjes maar ook vezelrijk voedsel en veel drinken helpt (bij voorkeur – zoals gezegd – water of iets anders zonder calorieën in verband met ongewenste gewichtstoename). Bij gaatjes in je tanden kun je wat vaker naar de tandarts gaan, goed poetsen, spoelen met fluor en weinig suikers en zuren gebruiken.
Lithiumvergiftiging
Een voorheen niet bestaand en snel erger wordende sufheid, sloomheid, lusteloosheid, spierzwakte, zwaar gevoel in armen en benen, een onzekere dronkemansloop of dronkemansspraak, sterk beven van handen en/ of kaak, braken, diarree en spier trekkingen.
Als je deze verschijnselen krijgt, moet je meteen het lithium stoppen en contact opnemen met je behandelaar of (waarnemend) huisarts. Er zal dan meestal met spoed een lithiumbepaling verricht worden.
Bloedafname voor de bepaling van de lithiumspiegel moet twaalf uur na de laatste inname plaatsvinden.
Tien hoofdregels bij lithiumgebruik
1. Neem de voorgeschreven lithiumtabletten iedere dag in op vaste tijden.
2. Haal een vergeten dosis niet in (neem geen dubbele dosis als u de vorige heeft vergeten).
3. Neem nooit minder (maar zeker ook nooit meer) dan de voorgeschreven dosis.
4. Bloedafname voor de bepaling van de lithiumconcentratie in het bloed moet in principe 12 uur na de laatste inname plaatsvinden.
5. Vertel andere behandelende artsen dat u lithium gebruikt. laat hen ook uw informatiemateriaal zien, bijvoorbeeld deze hoofdregels of dit boek.
6. Als u extra medicatie (bijvoorbeeld plaspillen) voorgeschreven krijgt, geef dit dan door aan degene die u lithium voorschrijft. Gebruik bij voorkeur paracetamol als u pijnstillers nodig heeft.
7. Breng onbegrepen lichamelijke klachten niet alleen onder de aandacht van uw huisarts, maar ook van degene die u lithium voorschrijft.
8. lithiumgebruik tijdens de zwangerschap geeft risicio’s voor moeder en kind. laat u bij een kinderwens eerst voorlichten door uw huisarts en psychiater.
9. Zorg voor voldoende zout- en vochtinname bij warmte, ziekte, hevig transpireren en langdurige inspanning. Overleg over een dieet met degene die u lithium voorschrijft.
10. lees met enige regelmaat het informatieboek door en zorg dat u de verschijnselen van een (dreigende) lithiumvergiftiging kent. Stop in een dergelijk geval de lithiuminname en neem zo spoedig mogelijk contact op met uw behandelaar of de (waarnemend) huisarts.
(Bron: Lithiumpluswerkgroep/vMDB)
4. Erfelijkheid
Maar hoe kom je nu aan die stoornis? Word je ermee geboren? Of komt het door een bacil of een virus?
De bipolaire stoornis is voor een belangrijk deel erfelijk bepaald. Onderzoeken hebben uitgewezen dat kinderen met één bipolaire ouder tienrnaal zo veel kans hebben om zelf ook bipolair te worden als kinderen zonder zo’n ouder. Zijn je vader en je moeder bipolair dan loopt het risico om het ook te krijgen op tot circa 60%. Hoe die erfelijkheid precies in zijn werk gaat, is nog niet bekend.
De genen (de bouwstenen van een chromosoom) die bipolariteit kunnen veroorzaken, zijn nog niet geïdentificeerd. Wel lijkt het er op dat er meerdere genen op verschillende chromosomen in het spel zijn. Uit het feit dat van eeneiige tweelingen (die exact hetzelfde ‘genenpakket’ bezitten) maar in 60 tot 70% van de gevallen beide leden van de tweeling een bipolaire stoornis hebben, blijkt dat erfelijke bepaaldheid dus niet betekent dat je de aandoening ook altijd krijgt. Was dat wel het geval dan zou van elke eeneiige tweeling met aanleg voor bipolariteit beide tweelingzussen of tweelingbroers de stoornis moeten krijgen.
Of de aangeboren aanleg zich ook echt openbaart, hangt erg af van het feit of iemand in zijn leven sterk belast wordt, of veel stress ervaart (op dit onderwerp kom ik terug in het hoofdstuk over psychosociale factoren).
Aanleg voor psychiatrische stoornissen
Je kan eigenlijk niet zeggen dat iemand erfelijk belast is met bipolariteit of daar aanleg voor heeft. Het gaat waarschijnlijk om een verhoogde kwetsbaarheid voor psychiatrische stoornissen in het algemeen en stemmingsstoornissen in het bijzonder. Bij de eerste- en tweedegraads familieleden van iemand die bipolair is komt namelijk niet alleen meer manisch-depressiviteit voor, maar je vindt er ook meer: depressies (een ‘unipolaire’ stoornis: stoornis met maar één pool, de depressie) en cyclothymie (een nog wat lichtere variant van de bipolaire stoornis: hypomane episoden en depressieve symptomen maar deze laatste zijn niet voldoende ernstig om van een ‘officiële’ depressieve episode te kunnen spreken).
Uit onderzoek blijkt dat van kinderen met een bipolaire ouder circa 15% zelf een bipolaire stoornis krijgt en eveneens circa 15% een unipolaire stoornis (dan heb je alleen depressies). Met andere woorden: het lijkt erop dat het gaat om een kwetsbaarheid die erfelijk is, maar die verschillende uitingsvormen kan hebben. Net zoals de griep die bij de een vooral spierpijn oplevert en bij de ander vooral keelpijn. Je krijgt verschijnselen daar waar toevallig je zwakke plek zit. Maar het zou ook kunnen gaan om één en hetzelfde ziektebeeld dat bij de een wat heftiger tot uiting komt dan bij de ander. Lichte griep versus zware griep. Cyclothymie versus een ernstige bipolaire stoornis.
Wat voor deze hypothese pleit is het feit dat je bij een groot deel van de mensen met een bipolaire stoornis ziet dat ze eerst een aantal jaren depressief zijn geweest voordat ze ooit een manie kregen. Bij veel mensen blijft het alleen bij die depressies en ontwikkelt de ziekte zich niet verder. Het zou dan dezelfde ziekte zijn maar met een minder ernstig verloop.
Heel veel bipolaire mensen hebben geen bipolaire ouders, grootouders of overgrootouders. Dit duidt erop dat de bipolariteit vele generaties kan overslaan.
Wat gaat er waar mis?
De erfelijke bepaaldheid is dus onomstotelijk bewezen. Wat nog niet duidelijk is, is wat er nu lichamelijk precies fout gaat waardoor je bipolair wordt. Welke stofjes doen wat verkeerd?
Er bestaan op dit moment meerdere ideeën over dit onderwerp. De meeste zijn gebaseerd op het gegeven dat depressieve en manische episoden succesvol kunnen worden bestreden door psychofarmaca (medicijnen die invloed hebben op het psychisch functioneren). Dit zou moeten betekenen dat er in de hersenen een of meerdere stofjes zijn die niet doen wat ze moeten doen. Of dat ze iets doen wat ze niet behoren te doen. Er wordt met name gedacht aan neurotransmitters (die verzorgen de informatieoverdracht tussen de hersencellen) .
Er wordt op dit moment veel onderzoek gedaan naar wat die stoffen dan precies fout doen en waarom dat zulke gevolgen heeft. Maar er zijn tot op heden niet zo heel veel keiharde feiten. Want dat je door medicatie het functioneren van neurotransmitters verbetert en mensen zich daardoor ‘beter’ voelen, is nog geen bewijs dat die neurotransmitters de oorzaak van de ziekte zijn. Het zegt niet meer dan dat neurotransmitters waarschijnlijk een rol spelen bij bipolariteit. En het is fijn dat je door medicatie het functioneren van die neurotransmitters zo kan verbeteren dat er minder episoden optreden. Maar misschien is het slecht functioneren van die neurotransmitters wel een gevolg van een geheel ander defect. En zijn de stemmingsschommelingen weer een gevolg van het niet goed functioneren van die neurotransmitters. Vooralsnog is er niets echt met zekerheid over te zeggen.
Dat er in het hoofd iets niet goed gaat, menen sommige mensen overigens echt duidelijk te kunnen voelen. Er wordt gesproken over signalen die het begin markeren van weer een nieuwe episode: een ‘fluit’ in het hoofd, of een ‘tikje’, of een ‘knak’, zoals Ger Klein overkwam.
Maar het omgekeerde komt ook voor: dat mensen voelen dat de episode overgaat:
Soms als ik depressief ben voel ik ineens een soort plopje in mijn hoofd en dan weet ik dat het weer goed aan het komen is. Binnen een paar uur ben ik dan weer ‘gewoon’.
Erfelijkheid van de specifieke eigenschappen van de bipolaire stoornis
Er bestaan aanwijzingen dat de verschillende eigenschappen van de ziekte eveneens erfelijk zijn. Had je moeder bijvoorbeeld een bipolaire stoornis en had ze vier of meer episoden per jaar (snelle schommelingen oftewel rapid cycling), dan is de kans groot (als je de stoornis krijgt) dat je zelf ook een patroon van snelle schommelingen zal gaan vertonen. Groter in ieder geval dan wanneer je moeder of vader geen rapid cycler was. Hoeveel groter die kans is, is niet bekend.
Wat ook erfelijk lijkt te zijn, is de reactie op bepaalde medicijnen. Reageerde je vader goed op lithium dan is de kans dat jij er ook op reageert, groter dan wanneer je vader er geen baat bij heeft gehad. Het is dus voor de behandeling van bipolariteit van belang om al dit soort informatie boven tafel te krijgen.
Bipolariteit en kinderen krijgen
Door Kay Redfield Jamison
Ik vind het heel jammer dat ik zelf geen kinderen heb. (…)
Zullen toekomstige ouders dan een foetus dat manisch-depressieve genen bevat, laten aborteren ondanks het feit dat de ziekte behandelbaar is? (Het is interessant te vermelden dat bij een recent onderzoek van de Johns Hopkins Universiteit, waarbij aan manisch-depressieve patiënten en hun echtgenoten werd gevraagd of ze dat zouden doen, maar enkelen een bevestigend antwoord gaven.) Zullen we het wagen om de wereld kleurlozer en eentoniger te maken door manisch-depressieve genen te vernietigen, waarbij ik toegeef dat dat een ongelooflijk ingewikkelde opgave zou zijn? En wat zijn dan de risico’s voor die waaghalzen – die rustelozen in de maatschappij die naar vooruitgang streven in de kunsten, het zakenleven, de politiek en de wetenschap? Lopen manisch-depressieve mensen dan, net als de sneeuwuil en de nevelpanter, de kans om een bedreigde diersoort te worden?
Het is een moeilijk moreel dilemma, vooral omdat er zowel persoonlijk als maatschappelijk ook positieve kanten zitten aan het manisch-depressief zijn. Deze komen niet alleen tot uiting in mensen met een artistiek temperament en een grote verbeeldingskracht, maar ook in vooraanstaande wetenschappers en leiders op het gebied van zaken, religie, de krijgsmacht en de politiek.
Bovendien moet ook rekening worden gehouden met minder merkbare effecten op bijvoorbeeld persoonlijkheid, manier van denken en mate van energie, want de ziekte komt veel voor en heeft grote invloed op temperament, gedrag en waarnemingsvermogen. De situatie wordt nog gecompliceerder door het feit dat bijkomende genetische, biologische en milieufactoren (zoals blootstelling aan langdurige of grote verandering van licht, grote vermindering van slaap, zwangerschap en drug- of alcoholgebruik) ook wel eens gedeeltelijk verantwoordelijk zouden kunnen zijn voor zowel de ziekte als de cognitie en karaktertrekken van zeer succesvolle mensen. Deze wetenschappelijke en morele kanten kunnen niet worden genegeerd; gelukkig wordt er door de medewerkers van het door de regering opgerichte Genome-project en andere groepen wetenschappers en ethici wel degelijk over nagedacht.
Het zijn ingewikkelde vragen, waarop voorlopig nog geen antwoorden te verwachten zijn. De wetenschap weet na het oplossen van bepaalde problemen altijd weer nieuwe te creëren. Hij maakt snel vooruitgang, waaruit vaak veel goeds voorkomt, maar schept ook hoge verwachtingen.
5. Mijn eigen verhaal volgens de anamneses
Hieronder – in een notendop – mijn eigen ervaringen met bipolariteit. Uit verschillende stukken in mijn medisch dossier heb ik een redelijk chronologisch verhaal samengesteld.
Patiënt is van zijn eerste tot zijn elfde jaar lichamelijk mishandeld door zijn stiefvader, heeft (tussentijds) vaak bij familie van zijn biologische vader gewoond (steeds wisselende gezinnen), is ettelijke keren verhuisd en heeft op ettelijke lagere scholen gezeten. Als gevolg van het feit dat hij nooit een echte basis heeft gekend, heeft hij last van verlatingsangst, kan hij zich moeilijk hechten, heeft hij last van een autoriteitsconflict, heeft hij minderwaardigheidgevoelens en kan hij moeilijk anderen vertrouwen. Een psychiater omschrijft hem in de jaren zeventig als “jeugdgehandicapte” en als “ernstig affectief verwaarloosde en als kind mishandelde jongeman”.
Van zijn twaalfde tot zijn veertiende heeft patiënt een oud-tante verzorgd. Hij woonde bij haar in huis, kookte voor haar, deed het huishouden en waste en verschoonde haar. Toen zij overleed vertrok patiënt op 14-jarige leeftijd naar het buitenland. Tijdens het liften in Duitsland werd hij door een automobilist gedwongen hem te pijpen. Hij kon zich vol walging losrukken en werd de auto uitgeschopt. Patiënt herinnert zich hoe hij ‘s nachts in de regen in het donker over een verlaten weg liep.
Toen hij 16 jaar was ging patiënt varen, eerst als matroos, later als kok. Op zijn zeventiende werd hij ruw verkracht door een stuurman, een man waarvan hij dacht dat die zijn vriend was. Een nieuwe teleurstelling, een nieuw trauma. Eerder dat jaar verloor zijn vriend David in Israël het leven bij een vuurgevecht. Patiënt vond hem met een half weggereten hoofd.
Patiënt had zich al vroeg voorgenomen dat hij niet ouder dan 23 jaar wenste te worden. Alles wat hij wilde meemaken moest daarom vóór zijn 23e beleefd zijn. Patiënt zocht het gevaar op, begaf zich vrijwillig in oorlogssituaties en illegale internationale activiteiten van politieke aard. Als 20-jarige studeerde hij af in Moskou, als politicoloog. De periode van zijn veertiende tot zijn twintigste jaar was een aaneenschakeling van levensbedreigende situaties. Patiënt was op zoek naar de dood, zegt hij zelf.
In 1973 kreeg patiënt voor het eerst last van een ernstige depressie, ongeveer een jaar durend, die werd gevolgd door een hypomane episode. In de depressieve periode kreeg hij 2000 mg Lithium, 25 mg Tofranil en 30 mg Dalmadorm. Als onderhoudsdosis kreeg hij 1200 mg Lithium, 10 mg Tofranil en 30 mg Dalmadorm. De diagnose van de behandelende psychiater was manisch-depressief (bipolair II).
In 1976 kreeg patiënt nogmaals een ernstige depressie, die ook een jaar duurde en eveneens werd gevolgd door een hypomane episode. (De depressies in de tussenliggende jaren waren aanzienlijk korter en duurden ongeveer een week.) In deze periode realiseerde patiënt zich dat hij de leeftijd van 23 jaar – de leeftijd waarop hij dood had willen zijn – inmiddels was gepasseerd. Hij vond dat hij verraad aan zichzelf had gepleegd.
De langdurige depressieve episoden van patiënt kenmerk(t)en zich door apathie en kataleptische verschijnselen. Patiënt heeft nergens zin in, hoeft niet te eten, te drinken, en ligt 24 uur per dag in bed, hoofdzakelijk naar het plafond starend. Niets interesseert hem. Patiënt ervaart dit als een hel, ook omdat het empatisch vermogen hem verlaat.
In 1979 besloot patiënt (tegen de wil van zijn psychiater) om te stoppen met Lithium. Om de arts ter wille te zijn heeft patiënt toen nog een jaar lang 300 mg Lithium per dag geslikt. (N.B. Deze dosis wordt niet geacht enige therapeutische waarde te hebben.)
In 1960, 1967, 1968, 1973, 1976, 1994, 1998, 2002 en 2005 heeft patiënt getracht zich van het leven te beroven, hetzij door pillen, hetzij door een overdosis alcohol, hetzij door verdrinking.
Patiënt heeft van 1980 tot 1992 gewerkt als therapeut, coördinator en beleidsmedewerker in diverse intra- en extramurale settings. Tegelijkertijd behaalde hij – met name in zijn hypomane episoden – de nodige diploma’s en universitaire deelcertificaten om zich in zijn expertise te kunnen ontwikkelen. Daarna is hij boeken gaan schrijven en vertalen en heeft in zijn hypomane episoden een extreem hoge productie geleverd op dat gebied (gemiddeld één boek per twee maanden).
In 2004 is patiënt weer begonnen met het gebruik van Lithium. Sinds die tijd is hij ook steeds meer alcohol en slaapmedicatie (Stilnoct) gaan gebruiken, omdat hij steeds vaker last kreeg van nachtmerries. Deze vertonen steeds hetzelfde patroon: patiënt is een jaar of vier en wordt mishandeld door zijn stiefvader. Hij ziet de grote handen van deze man, hij ziet de gebalde vuisten die hem vol in het gezicht raken, hij kan zich niet verweren of weglopen. Na afloop van de nachtmerrie wordt patiënt wakker en herinnert hij zich dat hij als vierjarig kind in de gracht is gevallen. Hij drijft onder de wateroppervlakte, ziet de zon boven het water, daar waar lucht is, maar kan er niet bij. Dan laat hij zich weerloos zakken in de diepte. Het is goed zo. Dat was het dan.
Na een poging op 4 november 2005, een dag na zijn verjaardag, om zijn leven te beëindigen met opgespaarde Stilnoct en drank, waarbij zijn situatie enige tijd kritiek was, is patiënt gestopt met alle medicatie. Formeel staat hij nog ingeschreven bij de afdeling Langdurige Zorg van de GGZ, maar hij heeft geen contact meer met zijn behandelende psychiater.
6. Het verhaal van Auke Hylkema
Auke Hylkema verblijft sinds 3 jaar in Zonneheuvel op het terrein van de GGZ Zuidlaren. De 65 jarige Groninger is maar liefst voor de 39e keer opgenomen. Auke is manisch depressief en dat heeft een grote invloed gehad op zijn leven. De Klantenkrant zocht hem op in Zuidlaren voor zijn levensverhaal.
‘Ik ben een echte stadjer. Ben geboren en getogen in de Noorderhaven. Daar hadden mijn ouders een goed lopend bedrijf. Zij deden in olie en kolen. Ik heb een normale jeugd gehad tot mijn 25ste ging alles mijn gemakkelijk af. Kon goed leren en heb een rijk leven geleid.
Ben toen ik achttien was met de boot naar New York gegaan en heb daar een fantastische tijd gehad. In Amsterdam heb ik ontwikkellingseconomie gestudeerd en makkelijk mijn kandidaats gehaald. Familie en vrienden noemden me een golden boy, maar daarna is het fout gegaan.
Ik heb op mijn 25ste mijn eerste psychose gehad. Mijn eerste opname was is het AZG te Groningen, mijn psychiater Koos van Dijk heeft mijn toen goed geholpen het daarna ook weer een tijdje beter gegaan. Na te zijn weggestuurd van de vliegeniersopleiding van de Rijksluchtvaartdienst, ik werd weggestuurd wegens gebrek aan discipline, heb ik in de jaren zeventig op verschillende banen gehad.
Ik ben kroegeigenaar geweest van de Wolthoorn in Groningen en heb vier jaar lang als antiquair gewerkt. Hierna kreeg ik weer een psychose en ben ik opgenomen in Eikenstein. Ik heb hier een half jaar in een isoleercel opgesloten gezeten. Dat was een verschrikkelijke tijd, je hebt geen contact meer met andere mensen en ik werd slecht verpleegd. In de isoleercel was verder niks aanwezig alleen een kartonen doos als toilet. Ik kreeg zo’n dorst van de (medicijnen)Lithium en niks te drinken dat ik mijn eigen urine heb gedronken. In Nederland wordt veel vaker geïsoleerd dan in het buitenland. Ik vond het onmenselijk.
Daarna ben ik naar Lagerhout verhuisd, dat is ook op het terrien van Zuidlaren, daar was de verzorging veel beter. Mocht daar veel meer, daar kon ik ’s nachts gewoon rondlopen als ik niet kon slapen. Door mijn manische depressiviteit ben ik zo vaak opgenomen geweest. En het heeft een grote stempel op mijn leven gedrukt. De dichtregel “Ik ben geboren in zonnegloren in een zucht van een ziedende zee” slaat precies op mij.
Tijdens mijn opnames is mijn goede vriend Roel Veldhuis trouw langs blijven komen. Sinds een aantal jaren is hij nu mijn bewindvoerder en regelt mijn lopende zaken. Hij heeft nu gezondheidsklachten, ligt in het ziekenhuis met een longontsteking, maar anders probeert hij elke zaterdag langs te komen.
Sinds drie jaar heb ik een eigen kamer in Zonneheuvel met een badkamer. Heb nu weer een eigen muziekinstallatie en mag graag naar klassieke muziek luisteren en ik ben gek op de muziek van Bill Haley. Met mijn ziekte gaat het nu wel goed, de medicijnen die ik nu gebruik werken goed. Maar ik heb wel andere gezondheidsklachten. Kan moeilijk ademen wegens problemen met de longen. Ik heb longemfyseem en moet eigenlijk stoppen met roken.
Ik ben nu al ouder dan mijn vader geworden, die is te vroeg overleden en maar 59 geworden, maar ik hoef niet zo oud te worden als mijn moeder die is maar liefst 89 geworden. Ik heb haar altijd trouw bezocht, als het kon bijna iedere dag.
Ik heb niet veel wensen meer. Ben achttien jaar getrouwd geweest, daarna gescheiden en nu mis ik het best wel, met een leuke vrouw samen te leven. Er is teveel gebeurd in mijn leven. Het leven is voor mij zwaar geweest en ook toen het goed ging was het moeilijk. Ik heb 4 keer geprobeerd zelfmoord te plegen, een keer met medicijnen en mij een keer opgehangen. ik ben wel blij dat het niet gelukt is. Verder hoop ik dat de isoleercellen weggaan, dat was zo verschrikkelijk, ik wordt nog altijd kwaad als ik daar aan terug denk. Ik heb geen mooi leven gehad, het is zwaar, veel te zwaar geweest.