
Gerrit (Ger) Klein (Den Helder, 4 september 1925 – Rotterdam, 9 december 1998), was een Nederlands politicus en natuurkundige. Namens de Partij van de Arbeid was hij staatssecretaris in het kabinet-Den Uyl en lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het bleek het begin te zijn van manische depressiviteit, dat de rest van zijn leven zou beheersen. “Op een gegeven moment zie je jezelf in je nakie door de vrieskou rondjes om het huis rennen. Daar ging de man die een getalenteerd fysicus en staatssecretaris van onderwijs was: geschift.” De ziekte zou zijn voortgekomen uit frustraties over de gang van zaken rond het debat over Aantjes, waarin Klein niet het woord mocht voeren, en een moeizame relatie met zijn partij.
Op 5 februari 1980 verliet Klein de politiek om toe te treden tot de Raad van Bestuur van TNO, waar hij directeur sociale zaken werd. Dit zou hij tot 1985 blijven doen. Vanaf het eind van de jaren zeventig leed Klein aan manische depressiviteit. Hierover publiceerde hij het boek Over de rooie. Het verhaal van een manisch-depressieve sociaal-democraat. Klein overleed in 1998. Het was mij een eer om met Ger Klein te werken, als zijn redacteur, en aan mij de eer om van de reusachtige stapel manuscripten, in dagelijks overleg met Ger, een samenhangend boek te maken.
Drie manuscripten kreeg ik op mijn bureau, op het eerste gezicht onsamenhangend materiaal, elkaar overlappend, en niet chronologisch.
“Maak er maar een mooi boek van,” zei de uitgever tegen mij.
En zo kreeg ik contact met Ger Klein, want we moesten veel met elkaar gaan overleggen. De chronologie moest worden bepaald, onduidelijkheden moesten worden opgelost, en er moesten vooral veel darlings worden gekild.
Er was een reden om mij met de redactie van het boek te belasten. De ziekte manisch-depressiviteit is mij niet vreemd. In 1973 en in 1976 ben ik een jaar lang zeer depressief geweest en in die periode werd de ziekte manisch-depressiviteit bij mij gediagnosticeerd. Om duidelijk te zijn: er zijn twee vormen van deze stemmingsstoornis. De patiënt die bipolair I is kent naast de depressieve fase en de hypomane fase ook de manische fase, en bij de patiënt die bipolair II is komt de manische fase niet voor.
Ger was bipolair I, ik ben bipolair II. Van 1973 tot 1985 en van 2004 tot oktober 2005 heb ik lithium gebruikt, een medicijn dat de stemmingswisselingen onder controle moet houden.(Sindsdien gebruik ik geen enkele medicatie meer.) Ik ken de langdurige, diepe depressies en ik ken ook de hypomane episoden, waarin je gigantisch veel kunt produceren en je energie tomeloos lijkt te zijn. “Dan ga je als een straaljager,” placht Ger te zeggen.
Alleen de “gekke” (manische) episode ken ik niet uit eigen ervaring, maar ik kan mij er wel het een en ander bij voorstellen. Daarnaast ben ik jaren actief geweest in de politiek, dus ook in dat opzicht waren er veel raakvlakken.
Ger’s manuscripten maakten veel bij mij los. Wat hij schreef was heel herkenbaar. We hebben vele uren telefonisch contact met elkaar gehad, en in die gesprekken ging het niet alleen over het boek.
Helaas is het boek niet herdrukt en is er slechts af en toe een tweedehands exemplaar bij De Slegte verkrijgbaar. Daarom heb ik besloten om in gedeelten een kleine bloemlezing uit Over de rooie te publiceren op mijn blog en die zonodig te voorzien van kanttekeningen.
(Februari 1980 – juni 1983)
Een nieuwe veelbelovende baan, vijftien maanden na het begin van mijn ziekte. Welke burger krijgt die kans? Ik zou er als vanouds tegenaan willen gaan, maar ik weet dat dat toch wat te veel gevraagd is. Weliswaar is het depressieve gevoel de laatste maanden afgenomen, maar de overblijfselen zijn toch voldoende om het dynamische in mijn karakter sterk te reduceren. Ik troost mij met de gedachte dat ook daar mee te werken valt, en dat een verminderde gevoeligheid voor externe prikkels niet alleen nadelen heeft. Kortom, ook met de huidige combinatie van eigenschappen moet ik kunnen functioneren, en bovendien mag ik er toch op rekenen dat een en ander in de komende tijd steeds meer in de richting van het normale zal gaan? Voor de rest hangt er vanzelfsprekend veel af van mijn arbeidsterrein en de arbeidssfeer, zowel in de Raad van de Bestuur als met de medewerkers.
Als ik de organisatie wat beter leer kennen, blijkt mij alras dat er over de hele linie een wel heel sterke hiërarchie met een autoritair karakter heerst. Het ziet er niet naar uit dat de beoogde reorganisatie hierin veel verandering zal brengen. Ik neem me dan ook voor om door middel van het sociaal beleid bij te dragen aan een sfeerverandering. Het blijkt al gauw dat dit niet strookt met de opvattingen van enkelen van mijn collega’s. Met name de voorzitter houdt er met betrekking tot het democratiseringsgehalte van de organisatie ideeën op na die thuishoren in de jaren vijftig of vroeger. Verder gedraagt hij zich alsof er geen sprake is van een collegiaal bestuur, maar van een bestuur met een voorzitter, die hiërarchisch gezien als nummer één moet worden beschouwd. Zo’n instelling moet wel tot spanningen leiden. Die komen er dan ook volop, in het bijzonder tussen de voorzitter en het jongste lid van het bestuur.
De territoriumdrift is enorm. Een groot deel van de vergadertijd wordt aan de reorganisatie besteed. Men is bezeten van de rechthoekjes modellen waarmee vele organisatiedeskundigen zo graag wapperen, tegen een wel zeer hoge uurprijs. Dat het hierbij ook om mensen gaat, wordt door enkelen van de collega’s of vergeten of gebagatelliseerd. Mijn rol bij deze discussies bestaat dan ook voor een deel uit het op gezette tijden constateren van het feit dat mensen geen baaltjes meel zijn.
Zo komen we het eerste jaar door, en voor mij geldt: een kleine belasting wat de eigen portefeuille betreft en voorts deelnemer aan het overleg binnen de Raad, waarbij de spanningen blijven toenemen. Mijn relatie met drie van de vier collega’s is goed, maar die met de voorzitter wordt met de dag slechter.
Zowel de kleine belasting als het permanent vertoeven in een spanningsveld werken ten nadele van mijn herstelproces. Te weinig werk betekent te veel tijd over om weer weg te zakken, hetgeen tot gevolg heeft dat mijn gemoedstoestand niet langer terugkrabbelt naar de normale toestand, maar juist de andere kant opgaat: ik word weer droefgeestiger en tegelijk ook passiever. Wat ik al wist wordt nu bevestigd: door de aanwezigheid van enkele machtsdenkers wordt het besturen steeds inefficiënter, nemen de spanningen toe, wordt de onderlinge werkbelasting volkomen scheefgetrokken, en gaat de organisatie gonzen.
Een en ander zet door in 1981, waarbij ik kennelijk steeds meer als de uithuilbaas van de organisatie wordt gezien. Bijna alle problemen en frustraties die ik te horen krijg, zijn terug te voeren op het baasje-spelen van de voorzitter. Mijn interventies bij hem halen niets uit; de man is een schoolvoorbeeld van een modellendenker, die slechts de informatie in zijn systeem verwerkt die in zijn kraam te pas komt.
En dan begint mijn gemoedstoestand in mei 1981 plotseling tamelijk snel te veranderen. Van matig in mineur loopt die in enkele weken op tot normaal, om vervolgens door te schieten naar een euforische toestand. Het is mij niet duidelijk welk proces deze grote verandering, na twee jaar in een meer of minder zware depressieve toestand te hebben verkeerd, in een paar weken tijd bewerkstelligt.
Vervolgens duurt het maar een paar weken en ik bevind mij weer in de hypomanische toestand.
De aantekeningen die ik in juni 1981 heb gemaakt, lijken in vorm en inhoud heel sterk op hetgeen ik in het begin van de eerste manische fase produceerde. Ik ben weer heel bezorgd over het verloren gaan van informatie – `alles wat er nu gebeurt is essentieel’ – hetgeen zich niet alleen uit in het bewaren van alle kranten en documenten, maar ook in het opschrijven van de meest triviale feiten.
In een poging om het functioneren van de Raad van Bestuur te verbeteren, is afgesproken dat we vanaf 15 juni 1981 zo’n tweeënhalve dag in retraite gaan, en wel in Ermelo. Op weg erheen verkeer ik in een uitgelaten stemming, en wij – de twee collega’s, de chauffeur en ik – hebben geweldig veel plezier. (Ik herinner mij dat het vooral absurdistische humor was die wij debiteerden.) De eerste avond gebeurt er volgens mij weinig schokkends. De volgende morgen vergaderen we op een normale wijze. Over wat er verder gebeurt bestaan verschillende lezingen. Mijn waarneming is: er wordt, om voor mij onduidelijke redenen, besloten dat we ‘s middags niet zullen vergaderen, maar gaan wandelen in het grote bos. Ik vind het wel een goed idee, met vergaderen kom je niet nader tot elkaar, met wandelen door het bos wellicht wel. Tijdens de wandeling met twee collega’s voel ik mij heerlijk. Ik geniet van alles wat ik hoor en zie. Als we bij het hotel terugkomen en wat uitrusten op het terras, blijven de collega’s maar druk heen en weer lopen. Ik praat ondertussen met twee mussen die op de luifel van de ingang zitten, en met een lieveheersbeestje op mijn pols. Zij vormen een dankbaar gehoor. Ik verbaas mij erover dat wij het diner niet in het hotel gebruiken, maar in een klein bijgebouwtje, waar we geheel op ons zelf zijn. Ik voel mij heerlijk, en praat vooral over al het goede dat ons deelachtig is.
Na beëindiging van de maaltijd ga ik het bos in, en ontmoet daar een grote hond, die net begonnen is met het graven van een kuil in een heuveltje. Hij houdt op als ik bij hem kom, maar als ik enthousiast `allee’ roep, begint hij als een waanzinnige te graven. Na zo’n halve minuut stopt hij en kijkt mij aan. Mijn volgende `allee’ doet hem weer furieus beginnen. We houden dit spelletje zo’n twintig keer vol. Hij heeft dan een kleine kubieke meter zand verplaatst. Ik spreek hem lovend toe en we keren samen terug naar het hotel. Hij ziet eruit als een mijnwerker die zich een week niet heeft gewassen. Het begint al donker te worden, en bij het hotel aangekomen gaan we als vrienden uit elkaar. Op de oprit staat een van de collega’s mij op te wachten, en hij vertelt mij zeer behoedzaam dat mijn vrouw en onze pleegzoon zijn gearriveerd. Als we elkaar hebben begroet en ik van mijn verbazing over hun aanwezigheid heb laten blijken, vertelt mijn vrouw mij dat zij zijn gekomen om mij op te halen. Als ik stel dat ik het prima naar mijn zin heb, zegt ze dat dr Mojet het ook nodig acht dat ik naar huis terugkeer. Ik verzet mij verder niet, en in de late avond rijden wij met zijn drieën van Ermelo naar Oostvoorne, waar ik omstreeks 1 uur ‘s nachts een injectie krijg van dr Ferket, onze nieuwe huisarts. Ik slaap goed.
Tot zover mijn versie van de gebeurtenissen die middag en avond. De collega’s hebben mij, ook later, niet verteld wat zij hebben waargenomen. Wel aan mijn vrouw. Ik zou al de eerste avond in het hotel de boel op stelten hebben gezet. De tweede avond zou ik een enorm verbaal geweld ten toon gespreid hebben, voorts lachend en juichend in de omgeving van het hotel hebben rond gesprongen, en met alle vogels en dieren hebben gepraat. ‘s Middags, toen we in het bos waren, is er contact opgenomen met mijn vrouw en dr Mojet. Na het nodige heen en weer gebel werd afgesproken dat mijn vrouw mij zou komen ophalen. Mijn vrouw heeft mij veel later verteld dat het telefoneren iets anders was verlopen. Zij werd gebeld door een collega die volstrekt in paniek was, en het had veel moeite gekost om alles op een rijtje te krijgen. Zo had zij van de huisarts een injectie meegekregen, die zonodig door een plaatselijke huisarts had kunnen worden toegediend.
Indien we de constateringen van mijn vrouw in de versie van mijn collega’s verwerken, blijven er twee verhalen over hetzelfde gebeuren over: het mijne en dat van hen. Het ligt uiteraard voor de hand om mijn verhaal als onjuist aan te merken. Ik kan echter moeilijk geloven dat dit zo is. Zeker, ik had het manische stadium vrijwel bereikt, maar ik weet `zeker’ dat mijn bewuste beleving van de werkelijkheid geen moment verstek liet gaan. Als dit werkelijk zo was, blijft er maar één andere mogelijkheid over, namelijk dat mijn inderdaad uitzonderlijk gedrag een zodanige invloed op enkelen van de collega’s had, dat deze `de kop verloren’.
In wat nog volgt zullen enkele voorvallen worden beschreven, waarbij in feite eenzelfde situatie ontstond: mijn verhaal of dat van hen, en in al die gevallen kwam ik tot dezelfde conclusie, namelijk dat mijn verhaal correct was. Aangenomen dat dit inderdaad het geval is, zou dit betekenen dat ik in de manische toestand een zeer grote `inductiekracht’ had, die bijvoorbeeld de voorzitter voor mij deed wegvluchten.
Zo begon de tweede cyclus van mijn ziekte, wederom bestaande uit twee fasen. De intensiteit van beide was echter aanzienlijk minder dan in de eerste cyclus. Zo waren er in de manische fase geen hallucinaties. Wel trad hierbij een nieuw, nogal aangenaam, verschijnsel op. We rijden op een stille weg in Europoort. Alleen het geluid van de banden is te horen. Plotseling hoor ik hier bovenuit heel zachte muziek. Ik kijk of de autoradio aanstaat. Dat is niet het geval. Van buiten kan het niet komen. Ik luister intensief.
De muziek wordt langzaam krachtiger. Het is een fantastische mars, staccato, waardoor het op een mars van Beethoven lijkt, maar hij is nieuw. Als het eind bereikt is, begint het opnieuw. Zo gaat het door, zo’n vijf keer. Dan doe ik een poging het te stoppen, door er dwars doorheen te fluiten. Dat lukt niet. Op het laatst word ik toch wel benauwd; erg mooi die muziek, maar het is toch niet de bedoeling dat ik er tot in lengte van dagen continu naar moet luisteren. Pas als de auto stilstaat houdt het op. Ik realiseer mij dat er een synchronisatie heeft plaatsgevonden met het ritme van de banden.
Als ik een paar dagen later ‘s avonds in de keuken sta, gebeurt hetzelfde, en weer is het een prachtige mars. Nu kan ik de aanjager aanwijzen: de afwasmachine met haar zachte gedreun. Het is volstrekt duidelijk dat het verschijnsel overeenkomt met het synchroniseren van een oscillatorisch circuit. Hoe de fraaie muziek erop gemoduleerd wordt, is voor mij een raadsel. Een en ander herhaalt zich tijdens de (hypo-) manische fase met regelmaat. Het is interessant dat ik een componist uit de tweede hand ben geworden; `de Sousa van de jaren tachtig’, denk ik.
Eind juni word ik nogmaals met een geste van mijn collega’s geconfronteerd. Ik lees in de TNO-krant, die ik thuis ontvang, dat de Raad van Bestuur tijdens zijn retraite de werkverdeling heeft gewijzigd. Het komt erop neer dat mijn portefeuille drastisch is ingeperkt. Fraai om dat uit de krant te moeten vernemen. Ik wil het besluit nog wel positief uitleggen: men heeft wellicht gedacht dat mijn psychische toestand het gevolg is van overbelasting. Wel grappig, als je bedenkt dat het eerder door een te kleine belasting komt. Uiteraard is er ook negatieve uitleg mogelijk: men, en dan in het bijzonder de voorzitter, heeft een en ander aangegrepen om mij verder af te bouwen.
Op 3 juli, drie weken na Ermelo, trouwt onze zoon in Rotterdam. Men stelt vast dat ik onmogelijk de trouwerij en bruiloft beide kan bijwonen. Ik zal daarom alleen naar de trouwerij gaan. Om een of andere reden hangen er veel vlaggen in Rotterdam. Als ik die bij het binnenrijden zie, weet ik het meteen: die hangen er vanwege het trouwen van onze zoon. Sterker nog: daar heb ik voor gezorgd. Het totaal aantal waanideeën in deze cyclus blijft beperkt, angsten zijn er niet, en begin augustus ben ik weliswaar nog zeer kwetsbaar, maar toch wel zover dat ik het werk wil hervatten. Afgesproken wordt dat ik op 17 augustus weer begin, twee maanden na Ermelo.
Als ik die dag op kantoor verschijn, wordt mijn kwetsbaarheid meteen op de proef gesteld. Mijn secretaresse vertelt mij dat de voorzitter mij om half tien wil spreken. Ik denk: `Toch aardig van hem om mij na zo’n twee maanden even te verwelkomen.’ Het pakt anders uit. Ik zit nauwelijks, of hij zegt: `Je begrijpt wel dat we zoiets niet nog eens kunnen hebben. Dan moet je weg’. Ik denk: `Schooier die je bent. In Ermelo deed je het nog in je broek, en nu weer de flinke bink uithangen?’ Ik wacht enkele seconden met antwoorden, hetgeen bij hem zonder twijfel de gedachte doet postvatten dat ik diep onder de indruk van de mededeling ben. Niets is minder waar: ik heb op dit punt in de loop der tijd de nodige hardheid opgebouwd, en bovendien is de sociale zekerheid van een lid van de Raad van Bestuur zeer groot. Ik kies voor de flexible response en zeg: `Over dat eventuele weggaan beslissen uiteraard het Algemeen Bestuur en de minister en niet jij. En ik vermoed dat ik beide instanties goed kan voorlichten over wat er met mij en de organisatie aan de hand is.’ Hij mompelt iets in de geest van: `Je weet dus hoe ik erover denk,’ waarna ik hem er nog op wijs dat dit interessant is om te weten, maar dat hij slechts één van de vijf leden van de Raad van Bestuur is, en dat alleen uitspraken van de Raad in zijn geheel van betekenis zijn. Dat is tegen het zere been, gelet op zijn eindeloze pogingen om hiërarchisch de eerste man van dit college te worden. Keer op keer heeft hij wat dit punt betreft de kous op de kop gekregen.
Na mijn terugkeer volgt er een lange tijd, bijna twee jaar, waarin mijn psychische toestand een golfbeweging maakt; periodes van zo’n twee maanden waarin ik matig depressief ben, zich uitend in een flinke melancholie, afgewisseld door wat kortere periodes waarin de neiging tot doorschieten naar het hypomanische bestaat. Zoals gezegd is dit, vanwege de grote kans op meekoppelen, de meest labiele toestand. Ik blijk goed op de medicijnen te reageren, en in de aanloop tot de manische toestand wordt een `evenwicht’ bereikt op een niveau waarbij ik een flinke opgewondenheid combineer met een grote dosis pushing power, zeg maar doordrammerigheid. Uiteraard voel ik mij dan prima.
Mijn invloed op de omgeving binnen TNO is in deze toestand merkwaardig: een aanzienlijk aantal mensen straalt angst uit bij contact met mij, alsof ik op het punt sta hen levend te villen. Omdat dit niet kan zijn veroorzaakt door mijn bejegeningen, zie ik maar twee mogelijkheden:
1. In deze bijna-manische toestanden krijgen mijn ogen een zeer felle uitdrukking, die beangstigend zou kunnen werken;
2. de geruchtenvorming over mijn gedrag in Ermelo.
In een enkel geval gaat de reactie wel heel ver. De bedrijfsarts, die later nog een belangrijke rol zal spelen, raakt bij twee gesprekken met mij in een soort ijltoestand. Ik ga hem daarna zoveel mogelijk uit de weg, en krijg de indruk dat hij dat niet erg vindt.
Nog een voorbeeld van de reactie van de omgeving op mijn bijna-manisch gedrag: in Noordwijkerhout is een conferentie voor alle directeuren georganiseerd, waarbij ook de Raad van bestuur aanwezig zal zijn. Ik bevind mij dan in een on top of the world-toestand. Mijn collega’s zijn doodsbenauwd dat ik op deze conferentie weer op hol zal slaan, en zij proberen mij er, door met hun vieren om mij heen te gaan staan, van te overtuigen dat ik beter op mijn gemak thuis kan blijven. Ik voel hier niets voor. Ik kan mijn werk aan, naar veler mening zelfs zeer goed, en ik wens niet tot een of andere kneus te worden gestigmatiseerd. Als de poging tot overreden maar blijft doorgaan, denk ik de sfeer met een grappig bedoelde opmerking te kunnen ontspannen. Ik zeg: `Ik krijg het idee dat jullie bang zijn dat ik op de conferentie op hol zal slaan.’ Dit wordt gretig beaamd. Ik vervolg: `Nou, daar is geen reden voor. Het enige waarvoor jullie bang moeten zijn is dat ik jullie alle vier hier door de ruiten sla.’ Een misplaatst grapje wellicht, want twee van de vier collega’s vliegen de kamer uit. De twee anderen, duidelijk de sterkere persoonlijkheden van het gezelschap, kunnen de grap ook maar matig waarderen. Ten slotte blijft er één collega, die ik hoog acht, bij mij achter, en hij weet mij over te halen: `Gerrit, doe mij een plezier, blijf thuis, want er zijn mensen die het stinkend benauwd van je krijgen.’
Dit incident en een aantal andere doen me realiseren dat er vreemde situaties kunnen ontstaan als ik als `normaal’ persoon iets stel dat door de aangesprokenen als uiting van een gestoorde wordt aangemerkt.
Een ander voorbeeld: mijn vrouw en onze jongste dochter zijn in een discussie verwikkeld. Ik merk dat de zaak hoog op begint te lopen. Ik besluit om tussenbeide te komen en bedenk een inbreng die in dat stadium ongetwijfeld een evangeliserend karakter heeft. Ik breng deze `sussende’ opmerking in het midden. De reactie is verbazingwekkend. Onze dochter dreigt me aan te vliegen en zegt: `Denk je dat je God bent?’ Hierop reageer ik met wat als grapje is bedoeld: `Nu je het zegt…’
De uitwerking is fenomenaal. Zelfs mijn vrouw denkt dat ik het meen. De rust keert pas terug als ik mij naar mijn werktafel terugtrek, mij heilig voornemend om voortaan alle beoogde interventies voor me te houden.
Conclusie van dit alles: als men eenmaal gestoord is geweest, betekent dit nog niet dat normaal gedrag in een later stadium door de gehele omgeving ook als normaal wordt onderkend. Eenmaal een gek, altijd een gek.
Wat het werk betreft heb ik mij na mijn terugkeer in augustus 1981 beter tegen onderbelasting gewapend. Als eerstverantwoordelijke voor het sociaal beleid ben ik van mening dat ik mij met heel veel buiten de eigen portefeuille kan bemoeien. Het gaat immers altijd om mensen, hoewel enkelen van mijn collega’s, die beter zouden moeten weten, zich dat nauwelijks schijnen te realiseren. Ik heb al gauw door dat mijn nuisancevalue door dit gedrag aanzienlijk stijgt.
Mijn stemming wordt uiteraard niet alleen door een intern mechanisme bepaald, maar ook door het omgevingsgebeuren. Een van de belangrijkste componenten hiervan is de Raad van Bestuur. Het werk hierin maakt mij niet vrolijker. Soms lijkt het erop dat men elkaar het liefst de strot zou willen afbijten, en ik moet bekennen dat ik hier graag aan zou willen meedoen. De solidariteit die ik ondervind, ook van een enkele RvB-collega, houdt me echter op de been.
Halverwege 1982 houdt de collega met wie ik het beste kan opschieten het voor gezien en vertrekt. Als zijn opvolger is benoemd, trekken we ons in oktober 1982 weer voor enkele dagen in de bossen terug, onder andere om de nieuwe portefeuilleverdeling vast te stellen. Tot mijn verbazing komt er een zodanige verdeling uit dat ik er twee flinke brokken bij krijg. Ik meen uit dit resultaat te mogen opmaken dat men mij dit keer niet meer als de dorpsgek ziet, en bovendien is wat meer werk welkom; ik heb tijd genoeg.
De eerste helft van 1983 draai ik goed; de twee nieuwe groepen geven gevarieerd werk, en de nieuwe medewerkers met wie ik te maken heb zijn competent en plezierig. Niets duidt erop dat er een grote verandering op komst is. Maar dan gebeuren er op een dag dingen die ertoe leiden dat ik die dag voor het laatst bij TNO zal zijn. Het is dan 21 juni 1983.
Die dag valt in een periode dat ik hypomanisch ben, en dat betekent dat ik mij meer dan prima voel en het werk gesmeerd loopt. Wel staat voor de late namiddag een periodiek bezoek aan dr Mojet op het programma.
Ik arriveer tegen negen uur op mijn werk en ga meteen door naar de vergadering van de Raad van Bestuur. Tot elf uur behandelen we een groot aantal kleinere zaken. Een en ander verloopt in alle rust. Om elf uur arriveren er drie vertegenwoordigers van een computerfirma, om ons voor te lichten over de automatisering van het secretariaat. Na vijf minuten is mij al duidelijk dat we te maken hebben met een ordinair agressief manipulatieverhaal. De woordvoerder praat met een bulderstem en in een waanzinnig hoog tempo. Dit alles om zijn gehoor groggy te maken. Dat lukt ook snel bij mijn collega’s, die er versuft bij zitten. De banaliteit van dit soort verkooptechnieken bewijst hoe stompzinnig de uitvoerders van deze praktijken zijn; zij hebben van hun Amerikaanse leermeesters gehoord dat het altijd lukt, en dat is nu juist niet waar. Zij maken dezelfde fout als het knapste jongetje in de klas, namelijk door geen rekening te houden met de mogelijkheid dat er een nog knapper jongetje of meisje in de klas zit, dat toevallig niets zegt.
Waarschijnlijk vanwege mijn staatssecretariaat, waarin ik iedere dag te maken had met figuren die mooie verhalen ophingen maar wel geld, en soms erg veel geld van je probeerden los te krijgen, sta ik meteen op scherp. Dia’s die maximaal vijf seconden worden vertoond en waarvan de tekst en vooral de bedragen afwijken van wat er wordt gezegd. Mijn latente agressiviteit wakkert aan. In de rest van het betoog van een uur plaats ik op gezette tijden een interruptie om te laten merken dat ik nog wél bij de les ben, en de spreker door heb. Het effect hiervan weet ik te versterken door een van zijn handlangers, die naast mij zit, af en toe iets cynisch toe te voegen. Een en ander heeft gevolg: de spreker verliest zijn quasi zekerheid en wordt uitermate zenuwachtig. Na afloop hou ik hem aan de praat, tot dat hij zich losscheurt en regelrecht op het toilet afstormt. Zelf ben ik door dit duel ook behoorlijk opgewonden geraakt.
We hebben een korte lunch, waarbij we nog wat napraten over de zojuist afgelopen happening. De voorzitter verdwijnt al na een klein half uur. Aansluitend aan de lunch gaan we nog even door met de vergadering. Om half drie is deze afgelopen, en bespreek ik nog enkele zaken met de algemeen secretaris, een van de prettiger figuren in de organisatie. Mijn hypomanische toestand komt ook ter sprake, en ik vraag hem welke uiterlijke kenmerken hij waarneemt. Hij somt er enkele op: grimassen, trommelen met vingers, verhoogde motorische activiteit, verbaal zeer agressief, het uitdelen van dreunen op schouders als teken van blijdschap, alles in anekdotische vorm vertellen, het opgeven van raadsels passend binnen een discussie, en het werken met trucjes. Voorwaar een hele reeks.
Tegen drieën verschijnt opeens de bedrijfsarts met de mededeling dat mijn vrouw beneden staat te wachten. Ik begrijp er niets van: mijn vrouw beneden en dat om drie uur? Dan voegt hij eraan toe dat zij mij komt ophalen. Dat begrijp ik al helemaal niet; om vier uur ga ik met de chauffeur naar dr Mojet, en vandaar naar huis. Ik ga naar beneden, maar daar is mijn vrouw niet meer; zij is terug naar huis. Het raadsel wordt alleen maar groter. Dan wil ik het fijne van een en ander toch wel weten, en daar kom ik achter met behulp van de algemeen secretaris, mijn secretaresse en mijn chauffeur. De voorzitter heeft ‘s ochtends tijdens de vergadering de boodschap doorgegeven dat de chauffeur de hele dag standby moet blijven, omdat `Klein waarschijnlijk in de loop van de dag zal worden afgevoerd’.
Tijdens de lunch wordt dr Mojet door de bedrijfsarts gebeld met de mededeling dat ik in alle staten verkeer. Er wordt een zodanig beeld opgehangen dat het dr Mojet het beste voorkomt dat mijn vrouw mij ophaalt en de huisarts, met wie hij contact zal opnemen, mij verder behandelt. De bedrijfsarts belt mijn vrouw met de mededeling dat ze mij direct moet komen ophalen, omdat er geen houden aan is. Mijn vrouw zegt: `Ik begrijp hier niets van, hij is vanmorgen rustig vertrokken.’ `Ja,’ antwoordt de onnozele man, `gisteren heb ik hem nog gesproken en toen was hij heel normaal.’ Mijn vrouw: `Hebt u hem nu dan niet gezien?’ waarop hij antwoordt: `Nee, maar ik moet nu ophangen, want ik moet naar de voorzitter.’
Als mijn vrouw een klein uur later bij TNO arriveert, blijkt haar alras dat er van enig buitengewoon gedrag van mij geen sprake is en dat mijn vervoer is geregeld. Zij vertrekt weer.
Het is duidelijk wat de bedoeling was. De voorzitter heeft met medewerking van een aardige maar tevens slappe bedrijfsarts een opzetje gemaakt om mij over mijn toeren te jagen, zodat ik zou moeten worden `afgevoerd’; het bewijs van mijn disfunctioneren en reden om mij bij TNO te laten verdwijnen. Het plannetje ging mis omdat de bedrijfsarts, op aanwijzing van dr Mojet, mijn vrouw erbij betrok, waardoor de opzet in één klap duidelijk werd. De schoft: niets collegiaal behandelen; alles achterbaks, met streken.
Als mij dit alles bekend is, is het tijd om naar dr Mojet te gaan. We staan vlak voor de vakantie, en dat is volgens hem uitstekend geschikt om tamelijk langdurig rust te nemen. Ik ben door het voorgevallene behoorlijk aangeslagen en vertoon inderdaad enkele vreemde gedragingen; het is die vent bijna gelukt om mij over de rooie te jagen. Bijna, maar dank zij een stel nette mensen net niet.